HOME· NIEUWS· ARTIKELEN· ACTIVITEITEN· FORUM· LINKS· OVER PVP
Artikelen | 10 oktober 2002
Paradoxen van evangelisch preken

Door: Ruard Ganzevoort

Inleiding
Om te beginnen moet echter de zondagse dienst aan de orde komen, waarin die preek een plaats heeft. In het artikel over de evangelische liturgie in dit nummer wordt daar veel uitgebreider op ingegaan, maar een enkele opmerking hebben we hier nodig voor de inkadering. In vergelijking met meer reformatorische diensten heeft de preek hier een andere plaats. (Zo'n vergelijking kan natuurlijk alleen globaal zijn; de werkelijkheid is genuanceerder.) In de reformatorische eredienst staat de preek centraal, en in de preek gaat het vooral om uitleg van het Woord. Persoonlijke toepassing vindt vooral plaats in persoonlijke contacten en gespreksgroepen. In de evangelische samenkomst is de preek slechts één onderdeel, en in de preek gaat het vooral om het persoonlijk appèl. De uitleg van het Woord vindt vooral plaats in de doordeweekse bijbelstudies. Waar dus de preek in de reformatorische traditie vooral in het kader van het leren staat, daar gaat het bij de evangelische samenkomst en preek vooral om het vieren.

Globaal is de evangelische dienst in drieën te verdelen, waarbij vaak voor elk deel een andere voorganger optreedt. Na een uitgebreide zangdienst volgt een gebedsdienst, en tot slot is er de woorddienst. In het totaal staat de beleving voorop. In de diensten zijn allerlei elementen te vinden die een bepaalde beleving willen oproepen. Zo is er de (misschien tegenwoordig wat afgenomen) gewoonte om liederen twee maal of vaker te zingen, het accent op de emoties in liederen en aankondigingen, het gebruik van specifieke lichaamshoudingen, waardoor belevingen worden opgeroepen of benadrukt, enzovoorts.

Op zichzelf is hier nog niets mee gezegd. Elke activiteit, en zeker elk groepsgebeuren, is te analyseren op verschillende vlakken. Op het vlak van de psychologische technieken hebben we het dan hier over retoriek en (groeps) communicatie. Dat er door bepaalde middelen te gebruiken een bepaalde sfeer wordt opgeroepen is in zichzelf alleen maar een constatering, en dat dat ook in evangelische diensten zo gebeurt, hoeft niet te verbazen. Trouwens, datzelfde kan gezegd worden van reformatorische, modern-vrijzinnige en andere samenkomsten.

De vragen ontstaan wanneer de sfeer in de diensten wordt geduid als een rechtstreekse aanwijzing van de aanwezigheid en werking van de Heilige Geest. Hier stuiten we op de paradoxen, waar het in dit artikel om draait. Kort geformuleerd gaat het om zes paradoxen, die in de volgende paragrafen zullen worden uitgewerkt.

De paradox van de tekst: Evangelischen pretenderen bijbelgetrouw te zijn, maar lopen het risico de tekst enkel als kapstok te gebruiken.

De paradox van de hoorder: Evangelischen pretenderen aan te sluiten bij de moderne mens, maar lopen het risico een heteronoom systeem over te dragen dat voor de betrokken hoorder weinig ontplooiing biedt en pastoraal onvoldoende blijkt.

De paradox van de wereld: Evangelischen pretenderen een missionaire houding te hebben, maar lopen het risico de 'boze wereld' zo buiten te sluiten dat er geen communicatie is.

De paradox van de prediker: Evangelischen pretenderen een persoonlijke benadering, maar lopen het risico het normatief gezag zo te benadrukken dat dat er geen ruimte meer is voor gezond kritisch luisteren.

De paradox van de gemeente: Evangelischen pretenderen de viering van de gemeenschap, maar lopen het risico van individualisme en heilsegoïsme.

De paradox van God: Evangelischen pretenderen de soevereiniteit van God centraal te stellen, maar lopen het risico van dogmatisme en schenden van het geheimenis.

De paradox van de tekst
'Heerlijk hè, dat die Schrift maar open blijft gaan.' Dit zinnetje komt uit de (elders in dit nummer afgedrukte) preek die volgens de redactie waarschijnlijk 'het meest evangelisch' is van de zes preken die we bespraken. De prediker benadrukt met deze woorden en op andere plaatsen dat de bijbel centraal staat, de bron en de norm is. Dat wordt ook onderstreept door met regelmaat teksten te citeren. Zo wordt de boodschap uitgezonden dat het hier gaat om bijbelgetrouwe prediking.

Toch zijn daar vragen bij te stellen, nog los van theologische meningsverschillen over de precieze inhoud van de bijbelse boodschap. De vragen draaien om de rol die de bijbel daadwerkelijk toebedeeld krijgt in de preek. Opvallend is bijvoorbeeld dat de tekst uit Micha consequent wordt toegeschreven aan Amos. Inhoudelijk wordt de tekst niet uitgelegd of aan de orde gesteld. Alleen het woord 'wandelen' dat tot thema is gekozen, komt terug. Henoch wordt vervolgens als voorbeeld geïntroduceerd, maar ook daar zijn de bijbelse gegevens niet bepalend. Kenmerkend is dan ook de zinsnede: 'Er zou nog veel over Henoch te zeggen zijn, ondanks dat er zo weinig over hem geschreven is.'

Het gaat hier niet om een beoordeling van één preek. In een andere besproken preek was de bijbeltekst aan bod in ongeveer 15 % van de hele preek. De vragen die hier zijn opgeroepen lijken - met alle mogelijke nuances - wezenlijk voor evangelisch preken als genre. De andere afgedrukte preek biedt dan ook een soort contrast. Hier staat de tekst wel centraal, wordt een grondige uitleg geboden, en worden geen punten toegevoegd die niet in de tekst staan. Toch zal juist deze preek als minder evangelisch ervaren kunnen worden, omdat er zoveel accent op de tekst ligt, en relatief weinig op de toepassing voor het persoonlijk geestelijk leven.

De vraag is dan ook of evangelische preken wel zo bijbelgetrouw zijn als gepretendeerd wordt. Er is veel (en vaak terechte) kritiek op kerken en stromingen waar de bijbel niet hetzelfde gezag heeft als in de evangelische beweging. Maar juist evangelisch preken loopt het risico de bijbeltekst als kapstok te gebruiken voor een boodschap die niet in de tekst zelf ligt. Die boodschap kan waar, juist en goed zijn, maar de vraag blijft staan of het de boodschap van die tekst is. Kortom: Evangelischen pretenderen bijbelgetrouw te zijn, maar lopen het risico de tekst enkel als kapstok te gebruiken.

De paradox van de hoorder
Evangelische preken willen dicht aansluiten bij de moderne mens. Juist omdat de zondagse dienst niet in de eerste plaats bedoeld is voor studie, maar voor verkondiging en evangelisatie. Dat uitgangspunt kan betekenen dat de bijbel iets minder aan bod komt (zie het vorige punt), en dat er meer ruimte is om aan te sluiten bij de mens. Gebeurt dat ook? In verschillende van de besproken preken wordt dat geprobeerd. Met een aantal concrete voorbeelden en vragen die kunnen spelen wordt een verbinding ook wel degelijk gelegd.

Tegelijk bestaan ook hier wezenlijke vragen. Zo is één van de preken met name gericht op het bieden van troost in het lijden. Dat wordt ook heel dicht bij gebracht door een stukje als: 'Als u bidt, als u worstelt met uw levensvragen, als de nood u tot de lippen stijgt ... en er maar geen antwoord komt, vergeet dan vooral niet in de ogen van God te kijken. (...) Mogelijk zult u voor het eerst van uw leven de tranen van God zien voor uw leven.' Maar in diezelfde preek wordt gezegd: 'Verheerlijking van Gods Naam en bevordering van zijn rijk, waarin het belang van het individu ondergeschikt is aan de belangen van het Koninkrijk Gods.' Met deze (en vele andere) woorden wordt het lijden in een rationeel begrijpelijk kader geplaatst. Deze dogmatische verklaring staat echter op gespannen voet met de pastorale nabijheid.

In een andere preek gaat het over Thomas, en de weg die hij aflegt van ongeloof naar geloof. Wat die weg precies is wordt niet uiteengezet. Ernstiger is dat Thomas negatief wordt neergezet. Dat betekent dat de hoorder zich niet in hem zal herkennen. Thomas leeft alleen in eigen kracht, hij is pessimistisch, kleingelovig, en hij begrijpt niet wat Jezus zegt. Of dat een herkenningspunt biedt voor een zoeker kun je je afvragen. De keuze voor de hoorder is wel beperkt geworden: of hij / zij herkent zich niet en wordt niet bereikt, of hij / zij accepteert de beschrijving, en kan dan alleen vanuit een negatief zelfbeeld tot inkeer komen.

In beide voorbeelden komt het er dus op neer dat de hoorder direct wordt aangesproken, maar vervolgens te horen krijgt dat hij of zij zich moet onderwerpen aan beelden, dogma's en normen van buiten. Veel ruimte voor eigen visies is er niet. Dat is een probleem als je werkelijk wilt aansluiten bij de mens, zeker bij de moderne mens. Wie mensen wil bereiken zal moeten aansluiten bij hun beginsituatie. Mensen bereiken betekent ook hen serieus nemen in hun eigenheid van beleven, denken en handelen. Evangelische preken pretenderen aan te sluiten bij de moderne mens, maar lopen het risico van een 'slikken of stikken'-benadering.

De paradox van de wereld
Evangelischen pretenderen een missionaire houding te hebben. Dat sluit aan bij het vorige punt. Je wilt de wereld bereiken. 'Hier ligt een breed terrein, waarin de gelovigen worden ingeschakeld om Gods Woord zoveel mogelijk in de wereld gestalte te doen verkrijgen.' Maar wat is dan die wereld? Het lijkt of de relatie tot de wereld vaak impliciet blijft, en nauwelijks werkelijk een onderwerp wordt om grondig over na te denken. Als er stelling wordt gekozen, dan gebeurt dat in de micro-ethiek. De vragen van recht en vrede, armoede en wat dies meer zij komen hooguit aan de orde als een bewijs dat het niet goed gaat met de wereld. Herhaaldelijk wordt die wereld dan ook negatief beschreven. Wat lijkt te ontbreken is het denken vanuit de schepping. Die wordt wel genoemd, en op die momenten kan de wereld een positieve betekenis hebben. Dat wordt dan echter onmiddellijk teruggenomen door de nadruk op de zondeval, waarin de wereld geschonden is.

Een uitgewerkte positieve houding ten opzichte van de wereld als schepping ontbreekt, en daarmee ook de mogelijkheid in en met die wereld te communiceren. Wat over blijft is de wereld als het rijk van het duister, waar de gelovige geen deel aan heeft of moet hebben. (Let wel: hier betekent het woord 'wereld' iets anders, en die dubbelzinnigheid draagt er aan bij dat het positieve spreken over de wereld weinig ruimte krijgt. De wereld als rijk van satan komen we tegen in zinnen als: 'Al snel zou de wereld heer en meester zijn in het Koninkrijk Gods en satan zou juichen.' Datzelfde gelijkstellen van wereld en rijk van satan wordt gesuggereerd als de prediker onzorgvuldig spreekt over hoe gelovigen en ongelovigen gelijkelijk delen in de gebrokenheid, en in één adem vervolgt: 'De regen valt op goede en slechte mensen en de zon gaat ook voor alle mensen op.' Dan worden (hopelijk onbedoeld) gelovigen gelijk gesteld met goede mensen, en ongelovigen met slechte. Dit soort verkeerde suggesties zouden vermeden worden bij een doordachte theologie vanuit de schepping en een scherper onderscheiden tussen de twee betekenissen van het woord 'wereld'.

Ook impliciet wordt trouwens afstand genomen van die wereld, waarin de gelovigen toch dagelijks leven. De preek over 'wandelen met God' is een preek voor ingewijden. De prediker is duidelijk geraakt door zijn intieme omgang met God. Wie die intimiteit niet kent, blijft een buitenstaander. Net als in de preek over Thomas wordt niet gecommuniceerd hoe je die intimiteit kunt vinden. Wie het kennen verstaan het, en de rest wordt buiten gesloten. In dat kader wordt dan ook gezegd: 'U zult niet meer leven zoals de wereld leeft.'

Dit ongenuanceerd spreken over en afstand nemen van de wereld is een belemmering voor het getuigenis. De buitenstaanders (ongelovigen, de wereld) worden negatief afgeschilderd. Communicatie met die wereld is er nauwelijks. Dat komt tenminste gedeeltelijk door een theologie die uitgaat van een fundamentele tegenstelling zonder het schepselmatige van het bestaan serieus te nemen. Het komt ook door een stijl van preken, die het licht probeert te benadrukken door het duister zwart aan te zetten. Evangelischen pretenderen een missionaire houding te hebben, maar lopen het risico de 'boze wereld' zo buiten te sluiten dat er geen communicatie is.

De paradox van de prediker
Evangelischen pretenderen een persoonlijke benadering te kunnen bieden. Inderdaad is in een aantal preken de prediker nadrukkelijk op de voorgrond aanwezig. Opnieuw: vooral de preken die de redactie als het meest evangelisch zag, zijn ook de preken waar dit het sterkst gebeurt. Een paar voorbeelden: 'het is niet voor niets dat ik dit woord heb gekregen om in ons midden te leggen.' 'Denk niet dat ik er belang bij heb om zo te spreken. Ik spreek liever aardige dingen, ik neem u liever voor mij in, maar dan dien ik mijn Meester niet, maar mijzelf.' De prediker maakt zo duidelijk dat hij met goddelijk gezag spreekt.

De voorbeelden uit zijn eigen leven brengen hem wel wat dichter bij de mensen, maar daarna maakt hij meteen weer duidelijk dat wat hij zegt woorden van God zijn: 'Dan mag je ervaren dat als je b.v het Woord uitwerkt op de computer de Heer vlak naast je zit en je gedachten inspireert en terwijl je typt Hij je de woorden ingeeft.' 'Al schrijvende inspireerde de Geest.' En tot slot: 'Lieve mensen, ik moet eindigen, terwijl ik nog zo weinig gezegd heb. Er is teveel wat ik bij me moet houden, te weinig wat ik kwijt kan.' In een andere preek wordt verteld dat wonderen minder vaak voorkomen als we soms zouden willen, maar de prediker zelf heeft in elk geval een persoonlijk geadresseerd wonder ontvangen. Al deze voorbeelden schetsen een profetisch prediker, rechtstreeks geïnspireerd, geprangd door zijn roeping. Dat is wel heel openhartig, maar het werkt zo uit dat de woorden en gedachten van de prediker onaantastbaar worden. Tussen Gods Woord en de woorden van de preek wordt de luisteraar weinig marge geboden.

Er is heel wat discussie mogelijk over de vraag hoeveel je van jezelf laat zien in de preek. Een al te afstandelijke onpersoonlijke preek kan makkelijk afstand wekken tussen de tekst en de hoorder. Wat dat betreft mag de persoonlijke nabijheid en betrokkenheid ook zichtbaar worden. Het is dan alleen de vraag of je je opstelt naast de hoorders of - zoals in de voorbeelden - naast God en tegenover de gemeente. Dat laatste is riskant. Je bekleedt dan jezelf met een normatief gezag dat onder verwijzing naar directe inspiratie onaantastbaar wordt. Evangelischen pretenderen een persoonlijke benadering, maar lopen het risico het normatief gezag zo te benadrukken dat er geen ruimte meer is voor gezond kritisch luisteren.

De paradox van de gemeente
Tegenover de oppervlakkigheid en kilheid in de gevestigde kerken pretenderen evangelischen een warme en hechte gemeenschap te vieren. Dat zal ongetwijfeld ook zo zijn op bepaalde momenten en plaatsen, en het komt vermoedelijk bij allerlei gelegenheden in en buiten de diensten aan de orde. In de preken die hier besproken worden, komt de gemeente er echter maar mager vanaf.

In plaats daarvan is er sprake van een individualistische prediking. Bijna gaat het om heilsegoïsme. Zo gaat het over 'persoonlijke gerichte tekenen', persoonlijke gebedsverhoring, persoonlijk geloof, bekering, enzovoorts. Als het om contacten met anderen gaat, dan is dat toch het individueel werken in het Koninkrijk. Bij de preek over Thomas in de groep van discipelen gaat het over de persoonlijke ontwikkeling in het geloof van Thomas: 'Ook vandaag nog spreekt Jezus tot een ieder van ons persoonlijk door de Heilige Geest.' In geen van de zes preken gaat het over het belang van de gemeente als Lichaam van Christus, noch over de onderlinge bemoediging, noch over het gedragen worden door de broeders en zusters. Dat zou te maken kunnen hebben met de toevalstreffer van deze steekproef, maar het zou ook een structureler probleem kunnen zijn. Gaat het collectieve (Volk van God) hier helemaal onder in het persoonlijke?

Dat zou natuurlijk te maken kunnen hebben met de kenmerkend evangelische nadruk op persoonlijke keuzes en persoonlijk geloof. Tussen haakjes: bij de paradox van de hoorder is aangegeven dat die persoonlijke keuze wel erg beperkt wordt door alles wat wordt voorgeschreven. Toch lijkt die nadruk op het persoonlijke hier door te schieten in een individualistische benadering. Het gevaar bestaat dat daarmee de gemeenschap ondermijnd wordt. Dat lijkt mij riskant, ook voor de persoonlijke beleving en keuze. Geen mens kan immers zonder die anderen. Evangelischen pretenderen de viering van de gemeenschap, maar lopen het risico van individualisme en heilsegoïsme.

De paradox van God
Uiteindelijk gaat het om God. Ook daar hebben evangelischen stevige pretenties. Tegen alle lege vrijzinnigheid en koude orthodoxie hebben zij het volle evangelie (of hoe het ter plekke ook genoemd mag worden). God staat op de eerste plaats, en er is geen sprake van dat er aan zijn macht, heiligheid, liefde en nabijheid getornd zou mogen worden. Je zou het kunnen vatten onder de noemer van de soevereiniteit van God, die evangelischen centraal zeggen te stellen. Op het eerste gezicht is dat in de preken die besproken worden ook zeker het geval. Of het nu gaat om de liefde, de heiligheid of de macht van God, er is geen zweem van twijfel.

Voor een deel wordt dat zichtbaar in het vanzelfsprekende herhalen van de centraal geachte boodschap: schepping, zondeval, het offer van Christus, persoonlijke bekering, enzovoorts. 'Dat plaatsvervangend offer is Jezus voor ons en een ieder die waarachtig gelooft en wederom geboren is, wordt weer uitgenodigd om met God te gaan wandelen.' Ook komt het naar voren in het beeld van de onderkant van het borduurwerk, als het gaat om het lijden. Vreemd doet het aan als de zin van het lijden wordt aangegeven met: 'Hoe zou ooit de kracht van de Brandweer openbaar worden zonder dat er ooit branden zouden zijn? Hoe zou Gods kracht tot verlossing en uitredding openbaar komen zonder die benarde situaties waarin gelovigen verkeren en hem smeken om hulp?' Dat roept meer vragen op dan het beantwoord, zeker als er achteraan wordt gezegd: 'Jezus is de grote dirigent van het leven. Hij geeft geen noot verkeerd aan en slaat geen enkele noot over.' In het vervolg probeert de prediker dan ook te verklaren waarom het lijden ons treft, waarbij de nadruk ligt op het 'onwrikbare, onveranderlijke, kosmische Rijk Gods met zijn eeuwige grondwet.' De dogmatiserende lijn in deze preek wil Gods leiding in en betrokkenheid bij het lijden pastoraal aan de orde stellen. De schematisering neigt er echter toe openheid voor het geheimenis te blokkeren.

In de preek over 1 Samuel 5 gaat het over Gods heiligheid. Die wordt in enigszins angstaanjagende termen geschilderd, en de preek loopt dan ook uit op de waarschuwing: 'Pas als we hem elke dag dienen, mogen we verwachten dat Hij ook elke dag voor ons zal zorgen.' Of die angst hetzelfde is als de eerbied voor het geheimenis is echter de vraag. In de preek over Thomas wordt diens 'niet weten' wel erg negatief ingekleurd. Het raadselachtige van de opmerkingen van Jezus wordt er uit gefilterd, alsof Hij letterlijke heldere taal sprak.

Op sommige punten is er wel sprake van een verwondering over het geheimenis dat niet met woorden te vatten is: 'Achter onze begrenzingen ligt het Koninkrijk Gods en ik heb daar geweldige verwachtingen van.' Dat vinden we ook in de preek over Jesaja, waar de heiligheid van God ongrijpbaar blijft. Hier spreekt de verwondering van Jesaja, die (mysterie!) God heeft gezien. De preek over Johannes 9 tenslotte laat (net als de tekst) de vragen staan, maar door de vergeestelijkende uitleg krijgt de preek wel een moraliserend, moeterig sfeertje.

Hoewel zeker op dit punt de preken nogal verschillen, is toch kennelijk het risico van dogmatisme en moralisme aanwezig. Dat blokkeert de openheid voor het geheim van Gods openbaring. Anders gezegd: de openbaring wordt te weinig als geheimenis uitgedragen, en teveel als een leerstellig heldere, inzichtelijke en boven alle discussie verheven boodschap gebracht. Wanneer echter het geheimenis wordt verklaard, dan wordt het tegelijk geschonden. Evangelischen pretenderen de soevereiniteit van God centraal te stellen, maar lopen het risico van dogmatisme en schenden van het geheimenis.

Scherpe vragen
Ik heb in het voorgaande de analyse met opzet scherp geformuleerd. Natuurlijk weet ik wel dat er in de praktijk een enorme verscheidenheid aan evangelische preken is. Ook tussen deze preken is onderling nogal wat verschil. Bovendien is het onontkoombaar dat in de analyse ook mijn eigen visie en beleving mee komt. Het voorgaande mag dan ook niet worden gezien als een oordeel over evangelische preken in het algemeen. De besproken preken zijn zinvol geweest in het ontdekken van fundamentele vragen. Zonder nu te concluderen welke preek goed of slecht is, kan zo een spiegel worden gevonden om ook het eigen preken in te bezien.

Alles op een rijtje zettend is er een onderliggende spanning aan te wijzen. De pretentie van de evangelische beweging - ook in het preken - is samen te vatten met het woord 'dichterbij'. Dichterbij de tekst, de hoorder, de wereld, de prediker zelf, de gemeente en God. Bij elk onderdeel is aan te geven dat dat (tenminste gedeeltelijk) te maken heeft met verzet tegen kerken waar dat minder zou gebeuren. Het impliciete oordeel van deze pretentie is immers dat men daar het evangelie onvoldoende recht doet, niet aansluit bij de mensen, volstrekt binnenkerkelijk preekt, met onpersoonlijke predikers te maken heeft, een volkskerk ontmoet waar mensen elkaar niets te zeggen hebben, en uiteindelijk God tekort doet. Dit artikel is niet de plaats om uit te maken of die kritiek altijd terecht is. Wel is het de vraag of de pretentie waar gemaakt kan worden. Die vraag is in het voorgaande verhelderd.

Dat heeft gevolgen voor de evaluatie van de evangelische beweging, in casu voor evangelische preken. Hier zou de pretentie eenvoudig kunnen worden aangegeven met de woorden 'vernieuwing', 'opwekking' of iets van dien aard. Voorzover men inderdaad 'dichterbij' komt, zijn die woorden met recht gegeven. Toch komt de vraag op of het niet vaak gaat om een vorm van restauratie in plaats van vernieuwing.

Restauratie of vernieuwing?
Waar vernieuwing een stap vooruit is, daar is restauratie een stap terug. Het probleem is alleen dat de twee zo op elkaar kunnen lijken. Zo is in een aantal opzichten de evangelische prediking te beschrijven als vernieuwing. Ik zou de stelling wel aandurven dat de evangelische beweging op verschillende punten een adekwate vertaling van het reformatorisch gedachtengoed is in de termen van het eind van de twintigste eeuw. Die aansluiting ligt dan vooral in het moderne denken, dat gekenmerkt wordt door woorden als individualiteit, rationaliteit en instrumentaliteit. De evangelische beweging legt nadruk op de individuele keuze, op een begrijpelijk en kloppend systeem van waarheden, en op de functionaliteit ven het geloof (je hebt er wat aan). Soms wordt dat doorgevoerd in instrumentele visies op wonderen en genezing op gebed, maar dat is gelukkig geen gemeengoed. Bovendien sluit de evangelische beweging aan op een nieuwe behoefte aan beleving en ervaring van het geloof en op de behoefte aan een nieuwe gemeenschap met het wegvallen van de oude verbanden waar mensen in leefden.

Tegelijk is die aansluiting voor een deel schijn. In dit artikel is duidelijk geworden dat de pretenties niet altijd worden waar gemaakt. De individualiteit is beperkt tot de keuze of je wel of niet het systeem overneemt. Voor mondige en kritische mensen is (in elk geval in de prediking) weinig ruimte. De rationaliteit is beperkt binnen de vooronderstellingen van het systeem. En de instrumentaliteit werkt niet zo door dat in de preken echt het nut en de functie van het geloof zichtbaar wordt.

Bovendien is het de vraag of met deze vertaling niet wezenlijke elementen verloren zijn gegaan. Ik heb eerder in dit artikel vragen gesteld bij het verlies van aandacht voor het collectieve (en verbonds-) denken, en voor het risico dat de soevereiniteit van God (wat een geheimenis is in het reformatorisch denken) wordt plat geslagen tot een helder dogmatiserend en moraliserend systeem. Ik ben me er van bewust dat dat in de reformatorische traditie even vaak fout is gegaan, maar de pretentie van vernieuwing betekent dat herhaling van de fouten niet de bedoeling kan zijn.

Er is sprake van restauratie, wanneer onder het mom van 'dichterbij' de tekst en de hoorder buiten het gezichtsveld raken. Uiteindelijk komt het er dan op neer dat de mondige mens van onze tijd met moderne middelen wordt terug gebracht naar een tijd en wereldbeeld waar de waarheid in een kerkelijk hiërarchisch systeem wordt vast gelegd. Restauratie als zogenaamde vernieuwing betekent dat veel van het goede van de reformatorische traditie schade lijdt, en dat er geen werkelijke aansluiting komt bij de mensen die men bereiken wil.

Werkelijke vernieuwing is er als recht wordt gedaan aan de Schrift, waarin de tekst voor zich mag spreken en met al zijn weerbarstigheid, raadselachtigheid en prikkeling in ontmoeting wordt gebracht met mondige mensen, die zelf even weerbarstig, raadselachtig en prikkelend (of geprikkeld) zijn. Werkelijke vernieuwing is er als de prediker zichzelf niet verheft als iemand die Gods geheimenissen doorgrondt, maar naast de hoorder staat en een open ontmoeting met de wereld aangaat. Werkelijke vernieuwing is er als het kan komen tot een nieuw soort gemeenschap van mensen van deze tijd met elkaar en met de God van wie we nooit meer dan een glimp hebben opgevangen.

Uiteindelijk zal de hele vraag bovendien achterhaald blijken, wanneer meer nog dan nu het levensgevoel van mensen bepaald wordt door de verbrokkeling en het wegvallen van overkoepelende waarheidssystemen. Kortom: als de moderniteit door de postmoderniteit vervangen wordt. Of de evangelische beweging in staat zal zijn in die veranderde cultuur nog steeds een boodschap te hebben zal afhangen van de vraag of ze tot werkelijke vernieuwing in staat is. Voor die vraag is de spiegel van dit artikel hopelijk bruikbaar. En als het helpt om de pretenties wat te verminderen of ze wat meer waar te maken, ben ik een gelukkig mens.

Bron: www.ruardganzevoort.nl

»
www.ruardganzevoort.nl
»
De crisis der echtheid
»
De preek als Stem van Christus
»
How Does Unction Function?
»
Preken moeten over het leven gaan
»
Wat is ‘expository preaching’?
»
De kerk moet nu spreken
»
Only Human
»
Het geheim van de preek
»
How the Text Can Form the Sermon
»
A Primer on Preaching like Jesus
"Wij prediken Christus, de kracht van God en de wijsheid van God!" (1 Korintiërs 1:24)