HOME· NIEUWS· ARTIKELEN· ACTIVITEITEN· FORUM· LINKS· OVER PVP
Artikelen | 21 maart 2006
De hoorder voor God
Notities Over Een Theologie Van De Toehoorder. Lezing Conferentie Passie Voor Preken 15 Maart 2006

Door: Henk Bakker

Na: wat denkt de hoorder over zichzelf?, nu een betoog over: wat zijn Gods gedachten over de hoorder?. Zogezegd klinkt de vraag nogal pretentieus, maar toch: de hoorder kan van twee kanten uit benaderd worden – met de blikrichting naar de eigen verwachtingen, of met de blikrichting naar Gods verwachting. Het betreft een ingrijpende perspectiefverschuiving. Maar bewust verwoord ik het thema als vraag, omdat de vraag stellen misschien nog wel belangrijker is dan de mogelijke antwoorden. Ja, wat wil God – wat vraagt Hij en wie is voor Hem de toehoorder in de kerkzaal? De vraag stellen betekent dat we even van onszelf afzien en open komen voor andere gedachten.

 

1. [het storende šema’] Kenmerkend voor het laatste is Deut. 6:4: ‘Hoor Israël, de HERE is onze God, de HERE is één’. Dit is de centrale boodschap van de eerste vijf boeken van Mozes – de andere 34 boeken van het Oude Testament zijn in feite slechts liturgie en receptiegeschiedenis van deze kernpassage uit de Tora. Israël wordt opgeroepen om toe te horen, te luisteren. God brengt door Mozes een klemmend verzoek uit: šema’! Wat de Israëlieten steeds zo nodig moeten horen is dat de Here (en geen ander) hun God is (Miskotte: dit is niet om te draaien!) en dat Hij de Enige en Unieke is. In de spiritualiteit van Israël komt deze tekst dan ook dagelijks diverse malen terug. Het ‘Hoor Israël’ klinkt op ieder moment van de dag en is urgent. Het doorbreekt het eigen ritme, de eigen agenda, de eigen ambities. Het betekent in ieder geval niet: luisteren wanneer het míj uitkomt. Denk aan Paulus’ woorden aan Timotheus: ‘verkondig het woord, dring erop aan, gelegen of ongelegen’ (2 Tim. 4:2).

Horen gaat dus niet vanzelf. Naar mensen, ja naar elkaar luisteren is soms al moeilijk. Naar God luisteren des te meer. Gods woorden voor mensen klinken niet alleen vriendelijk en bemoedigend en bevestigend. De reformator schreef in zijn commentaar op Paulus’ brief aan de Romeinen (hst. 12) dat Gods Woord, telkens wanneer het komt, tegengesteld aan ons eigen denken komt: Verbum Dei adversarius noster est. Gods Woord is een tegendraads en tegenovers Woord en strookt in veel opzichten niet met onze verwachtingen en logica. Alleen dán is grondig verstaan van Gods Woord mogelijk, als we ons erdoor verstoord en aangevallen weten, aldus Luther.[1]

Terwijl we ons aan de veilige kant van de rode streep wanen, klinkt het ineens: šema’! Denk aan Augustinus’ ommekeer. Toen hij nog op de rand van bekering stond en met zichzelf ompakte, had hij zich in de tuin van het huis waar hij en zijn moeder en zijn goede vriend Alypius verbleven teruggetrokken. Moe van neerslachtigheid kon de kerkvader geen rust voor zijn ziel vinden. In zijn Confessiones schrijft hij vervolgens: ‘En ineens, daar hoor ik een stem uit een naburig huis, een stem die zingende zei en steeds weer herhaalde, een stem van een jongetje of van een meisje, ik weet het niet: “Neem en lees! Neem en lees!” En meteen veranderde mijn gezicht en begon ik ingespannen na te denken of kinderen bij een of ander spelletje iets van dien aard zingen; het wilde me niet te binnen schieten dat ik het ooit ergens had gehoord. Toen bedwong ik de heftige stroom van mijn tranen en stond op: de enige verklaring die ik kon geven was deze, dat ik van Godswege bevel kreeg om het boek te openen en de eerste passage waar mijn oog op viel te lezen. (…) Met snelle schreden ging ik dus naar de plek waar Alypius nog zat: daar had ik namelijk het boek van de apostel neergelegd, toen ik er was opgestaan en weggegaan. Ik pakte het, deed het open en las zwijgend de passage waar mijn ogen het eerst op vielen: “Niet in brasserij en dronkenschap, niet in slaapkamers en oneerbaarheden, niet in twist en naijver, maar trekt de Heer Jezus Christus aan en vertroetelt niet het vlees in begeerlijkheid’.[2] De woorden knalden zogezegd het hart van Augustinus binnen. Dit was Gods šema’ voor hem op dat moment. De man moest namelijk in zijn hart nog vrijkomen van het losse leven wat hij had geleid. Het tolle lege (‘neem, lees’) van het kind was een moment van goddelijk ingrijpen. Augustinus moest van God toehoren, nam de Schrift en las woorden die eerder tegen hem waren dan voor hem. Maar vanuit het ‘tegen’ was God juist ‘voor’ hem. De gebroken Augustinus begreep dat en die wetenschap werd zijn keerpunt. Het wonder was een staaltje van Gods sterkte in kinderen: ‘O HERE, onze Here, hoe heerlijk is uw naam op de ganse aarde. Gij die uw majesteit toont aan de hemel. Uit de mond van kinderen en zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest …’ (Ps. 8:2-3).

 

2. [God de kardiognôstes] Gods gedachten over de toehoorder zijn in de eerste plaats dat deze bij de les geroepen en gehouden moet worden. Uit zichzelf vraagt hij er niet om. Hij moet zelfs leren om met enige achterdocht over zichzelf te denken en zich niet onmiddellijk op de schouders te kloppen wanneer hij om half elf zondagmorgen met een glimlach zijn bijbel op de schoot neemt. Geen mens kent immers zijn eigen hart. Het hart is grondeloos en weet met vrome aandacht voor de Schrift zich God ook van het lijf te houden. Een zelfgenoegzame of zelfvoldane houding naar de verkondiging kan niet anders dan verraden hoe het werkelijk zit. In de godsdienstwetenschap is er een term voor: do ut abeas (‘Ik geef opdat jij weggaat’). Ofwel: ‘Ik doe wat je zegt zodat je me verder met rust laat.’ Of: ‘Ik ben hier en dat is al heel wat, maar zeur me verder niet meer aan mijn hoofd.’

God wordt de ‘hartenkenner’ genoemd (ho kardiognôstes theos, Hand. 15:8). Op ontroerende wijze blijkt dat uit de bekering van de heidense zakenvrouw Lydia. Aangekomen in Filippi zocht Paulus een synagoge. Die was er niet - het minimum aantal van tien joodse mannen om een synagoge te kunnen beginnen, werd niet gehaald. Wel was er een joodse gebedsplaats aan het water. Daar gekomen sprak Paulus met enkele vrouwen, waaronder ook deze Lydia, die sympathiek stond ten opzichte van het joodse geloof. Op zich is dat al bijzonder. Lydia kwam uit Thyatira en was mogelijk in Filippi vanwege haar bedrijf (het verven van stoffen). Het hinderde haar niet dat de joodse gemeenschap van Filippi onaanzienlijk was. Ze zocht de HEER, de God van Abraham, Isaak en Jakob. Lukas schrijft dan: ‘En … Lydia, … die God vereerde, hoorde toe, en de Here opende haar hart, zodat zij aandacht schonk aan hetgeen door Paulus gezegd werd’ (Hand. 16:14). God is inderdaad de hartenkenner. Terwijl Lydia naar de woorden van Paulus luisterde, bleef het daar niet bij. Door de woorden kwam God dichtbij en opende Hij haar hart. Kon zij dat dan zelf niet? Blijkbaar niet – zij kon wel ‘toehoren’, maar zonder Gods genade geen ‘aandacht schenken’. Zo is het met het hart van de natuurlijke mens gesteld. Zonder Gods tussenkomst blijft het voor de dingen van God gesloten.

Dit feit brengt ons bij de leer van de klassieke ‘eigenschappen’ van de Heilige Schrift. Gods woorden zijn niet zomaar woorden. Ze zijn dragers van bijzonderheden. Naast de volkomenheid, duidelijkheid, genoegzaamheid en geloofwaardigheid van de Schrift, wordt ook over haar gesproken als een weerleggende en levenmakende kracht. We noemen dit met een duur woord de ‘elenchtiek’. Op meesterlijke wijze is die elenchtische werking van de woorden van God onder woorden gebracht door de ons onbekende auteur van de Brief aan de Hebreeën. Als een vlijmscherp zwaard snijdt Gods woord het hart van de mens binnen. Daar, op het diepste niveau van het menselijk denken en voelen, weet het dat te bereiken wat nauwelijks denkbaar is. ‘Het dringt door, zó diep, dat het vaneenscheidt ziel en geest, gewrichten en merg, en het schift overleggingen en gedachten des harten’ (Hebr. 4:12). Woorden van God houwen dus op ons diepste gedachteleven in en brengen onderscheid aan. Ze ziften en schiften, confronteren, kwetsen en filteren. Ze doen ons pijnlijk beseffen dat ons innerlijk leven voor de Heer een open boek is. ‘Alle dingen liggen open en ontbloot voor de ogen van Hem, voor wie wij rekenschap hebben af te leggen’ (panta de gumna kai tetrachelismena, Hebr. 4:13). Preken werken dan ook ontblotend uit – prediking kleedt mensen uit, gaat van buiten naar binnen, totdat ieder beseft dat hij of zij naakt voor God staat (zoals Adam en Eva ooit). Paulus staat deze kracht van de prediking voor ogen als hij schrijft dat een toehoorder onder het profetische woord ‘door allen weerlegd’ (elenchetai) en ’door allen doorgrond’ wordt en dat ‘het verborgene van zijn hart aan het licht komt’ (1 Kor. 14:24-25).

            De toehoorder is in de ogen van God dus iemand die door het Woord de pas moet worden afgesneden of in de wielen gereden moet worden. Hij wordt door God ook geestelijk in zijn blootje gezet, zoals in Openbaring 3, waar christenen zich rijker rekenen dan zij zijn: ‘Omdat gij zegt: Ik ben rijk en heb mij verrijkt en heb aan niets gebrek, en gij weet niet dat gij zijt de ellendige en jammerlijke en arme en blinde en naakte, raad Ik u aan te kopen goud, dat in het vuur gelouterd is, opdat gij rijk moogt worden, en witte klederen, opdat gij die aandoet en de schande uwer naaktheid niet zichtbaar worde’ (3:17-18). De christenen van Laodicea meenden dat ze zich achter een façade van rijkdom, luxe en uiterlijkheden voor God konden verstoppen, maar niets was minder waar. Hij keek dwars door hun christelijke verkalking heen.

            Met Miskotte zouden we kunnen zeggen dat het levende Woord van God zo inslaat op ons leven, dat het de heiden in de christen raakt. Gods woorden ontdekken in ons de heiden die we eerst niet zagen. Kom tevoorschijn, jij heiden! (cf. de spookrijder) De heiden zit ons van binnen nader dan de christen. Met die achterdocht moeten we over ons als christelijke toehoorders (auditores) van het Woord leren denken.

 

3. [elenchtiek en gelaagdheid] Wie preekt verkondigt de volle ernst van God – het is Hem menens, ook met de Nederlandse mens. De Nederlandse hoorder kennen wij niet. Ja, we kunnen zijn gedrag tot op zekere hoogte voorspellen. Niet alleen gedragwetenschappers maar ook trendwatchers en allerlei captains of industry zijn voortdurend bezig om de mens van de toekomst te beschrijven en op zijn behoeften in te spelen. De voorspelbaarheid van mensen is een heuse wetenschap waar veel geld in omgaat. De marges van vrijheid om naar eigen believen te kiezen worden met het mondialiseren van de samenleving steeds smaller. Alles gaat steeds meer op alles lijken. Denk bijvoorbeeld aan de veramerikanisering van de Nederlandse mediamarkt. Als iets steeds duidelijker wordt is het dit: er wordt de consument een gevoel van vrijheid aangepraat, terwijl zijn keuze al jaren eerder in marketingonderzoeken werd vastgesteld. Wat vrijheid!? De Nederlander lijkt een vrije en losse en tolerante burger, maar hij is niet vrij, eerder zielig.

Kennen wij de Nederlandse toehoorder? Wel als tot melkkoe gereduceerde consument - niet als mens. Wij kennen hem van de markt, niet van harte. De Nederlander is in hart en nieren een mysterie, een groot geheim. De hoorder is gelaagd, heeft een ziel – een grondeloos diep hart. Hij is ten volle mens, met boven zichzelf uit wijzende dimensies. Hij is beelddrager Gods (imago Dei). Daarom heeft hij meer nodig dan hij tot nu toe krijgt. Zijn leven fragmenteert en wordt overstelpt met talloze verplichtingen en bezigheden. Hij moet voortdurend keuzes maken en heeft de tijd niet om van binnen werkelijk tot rust te komen en zich af te vragen waarnaar hij ten diepste hunkert. Zo diep komt de gemiddelde Nederlander niet bij zichzelf. Hij schuift de vraag voor zich uit en schuift de TV dichterbij. Daar speelt het leven zich af – hij ziet het als goedkoop amusement aan zich voorbij gaan.

De existentialisten in de eerste helft van de vorige eeuw hadden gelijk. De westerse mens lijdt onder een zware neurotische last van verveling en angst. In de afgelopen 50 jaar is die last alleen maar toegenomen en verminkt en verlamt die last de Nederlandse burger in hoge mate. Ik geloof dat de dominante belevingscultuur ooit een waardevolle correctie op het cerebrale karakter van de moderniteit is geweest. In de eerste helft van de 20e eeuw liep het intellectualisme onder meer door twee wereldoorlogen vast – dat gegeven hoeven we niet te betreuren. De stoere paradigma’s van redelijkheid, moraliteit, burgerfatsoen, zelfredzaamheid en maakbaarheid van de samenleving stortten ineen. Nadruk kwam te liggen op beleving, niet meer op de intellectuele abstractie of het gedachte-experiment. Begrijpelijk, maar waar geen rekening mee werd gehouden is dat ook de ‘beleving’ een commercie zou kunnen worden en even koud en harteloos als het gestaalde intellectualisme. De ‘leisure-industry’ is een schatrijke sector in onze economie geworden die een dominante greep op de samenleving heeft. Vermaak is niet alleen meer cultuur, maar vooral ‘big money’ geworden. Miljoenen mensen die zich voortdurend dreigen te vervelen moeten zinvol worden vermaakt. Dat juist de leegte en verveling een heilzame weg tot verdieping kan zijn, komt niet zomaar bij hen op. Ieder mens moet er eens toe komen om zijn leven en daarmee zijn dood op zich te nemen. Hij kan er niet voor blijven weglopen en vluchten. Memento mori! Jakobus wordt heftig als hij over deze dingen schrijft: ‘Welaan dan, gij, die zegt: Vandaag of morgen gaan wij op reis naar die en die stad, wij zullen er een jaar doorbrengen, zaken doen en winst maken; gij, die niet (eens) weet, hoe morgen uw leven zijn zal! Want gij zijt slechts een damp, die voor een korte tijd verschijnt en daarna verdwijnt; in plaats van te zeggen: Indien de Here wil, zullen wij leven en dit of dat doen. Maar nu roemt gij in uw grootspraak; al zulk roemen is verkeerd’ (Jak. 4:13-16).

Volgens God zit de Nederlander anno 2006 ten diepste niet te wachten op animerende kerkdiensten en schone liturgie. Hij hunkert van binnen naar een verlossend weten – een doorschouwen van zijn leven in het schijnsel van God. Hij zit namelijk hopeloos gevangen in een eendimensionaal paradigma, een repeterende plaat of beter gezegd een leugen over zijn leven. De Nederlander moet zich gelukkig wanen met zijn succes, welvaart en luxe. Hem wordt opgedrongen dat zijn geluk toeneemt als hij zich veiliger op straat voelt, voldoende op vakantie kan, een fit en strak lijf heeft en mogelijk oud wordt. De grootste leugen is dat hij getracteerd en geamuseerd moet worden om zich in de kerk een welkome klant of bezoeker te weten. Hij vindt dit belangrijk omdat het hem zo aangeleerd is, en is er dan ook gevoelig voor. Inzicht in wie hij werkelijk is en mag zijn, komt als God gaat spreken en hem duidelijk wordt dat het in de Kerk niet om hem maar om God gaat. De rollen worden omgedraaid – God krijt een hoofdrol. De mens vervult een bijrol.

Volgens God zit de Nederlander te wachten op woorden die zijn leven tegen het nieuwe licht van God houden. Dat was wat zowel gelovigen als ongelovigen in de Vroege Kerk aansprak. Bezoekers en aanwezigen in de christelijke samenkomst kwamen in de aanwezigheid van God, zagen soms wonderen gebeuren, en wisten zich vooral door Hem doorgrond. Eusebius van Caesarea citeert Irenaeus als volgt: ‘Zij [de christenen, H.B.] hebben niet de macht om doden op te wekken. De Heere kan dat wel en ook de apostelen wekten de doden op door middel van het gebed; en ook in de latere kerk kwam dat voor, als dat noodzakelijk bleek; dan riep de hele plaatselijke gemeente God aan, onder vasten en smeekbeden; dan kon het gebeuren dat de geest terugkeerde in het ontzielde lichaam, dat een mens teruggeschonken werd op het gebed van de heiligen. (…) Wie nog zou zeggen, dat de Heere deze dingen alleen maar in schijn deed, zal ik terugverwijzen naar de profeten en daaruit laten zien dat dit alles precies over Hem werd voorzegd en zeker gebeurd is; want Hij alleen is Zoon van God. Daarom hebben de mensen die echt zijn discipelen waren van Hem genade ontvangen in Zijn naam; en naarmate ieder van Hem vrijelijk deze gaven ontving, deden ze in zijn naam dingen tot welzijn van de mensen. Sommigen dreven demonen uit, wis en zeker, zodat vaak de personen die van boze geesten gereinigd waren tot geloof kwamen; dan werden ze in de gemeente opgenomen. Anderen hadden voorkennis van toekomstige gebeurtenissen, zagen visioenen en ontvingen profetische boodschappen; weer anderen genazen zieken door handoplegging en lieten hen gezond weer opstaan. En, wat meer is, zelfs doden werden opgewekt en leefden nog vele jaren met ons, zoals ik hierboven schreef. Moet ik nog meer zeggen? Het is onmogelijk om het getal van de genadegaven, die de kerk over de hele wereld van God ontving, mee te delen; ze ontvingen die in de naam van Jezus Christus, die onder Pontius Pilatus gekruisigd werd. (…) Wij horen dat vele broeders in de gemeente profetische gaven bezitten, of door de Geest in allerlei talen spreken, of verborgen zaken van de mensen voor hun welzijn aan het licht brengen, of de geheimenissen van God verklaren’ (Eusebius, HE 5,7,1-6).[3]

Vooral de laatste zin is verhelderend: ‘Wij horen dat vele broeders in de gemeente profetische gaven bezitten, of door de Geest in allerlei talen spreken, of verborgen zaken van de mensen voor hun welzijn aan het licht brengen, of de geheimenissen van God verklaren.’ Het ging Irenaeus en Eusebius niet in de eerste plaats om demonstraties van het uitzonderlijke (zoals het opwekken van doden, het uitwerpen van demonen en het genezen van zieken), maar om de kracht die van de gewone samenkomst in de eerste en de tweede eeuw AD uitging. Ongelovigen bezochten de kerken omdat de aanwezigheid van God verwachtingen wekte. Velen spraken volgens Irenaeus met profetisch inzicht en brachten het verborgene aan het licht. Opnieuw herkennen we hier de elenchtiek van de Geest – een vorm van psycho-profetisch pastoraat. Profetisch spreken bracht heimelijke beweegredenen aan het licht en kreeg dwingende actuele relevantie. Profetie brak in menselijke zielsprocessen binnen en wees de hoorder onontkoombaar als zondaar aan. Paulus meent dat juist op grond van zulke ontmaskeringen zal gezegd worden: ‘Werkelijk, God is in uw midden’ (1 Kor. 14:25).

 

4. [hermeneutische horizonversmelting] De hoorder in de ogen van God verwacht niet alleen gestoord, geconfronteerd en doorgrond te worden, maar ook uitgelegd. Hij wil zijn persoonlijke geschiedenis in de geschiedenis van God uitgelegd krijgen en anders leren verstaan. Hij wil opnieuw in zijn eigen levensverhaal thuis komen. Van wezenlijk belang is daarom de historische identificatie die met profetische prediking gepaard moet gaat. Volgens mij is dit het ‘unique selling point’, het absolute alleenrecht en proprium van de prediking, onvervangbaar en onmisbaar. Het geheim van de prediking is dat de hoorder op zeker moment zegt: ‘Ik ben in het woord inbegrepen’ – ‘het gaat over mij’ – ‘het was aan mij gericht’.

            De persoonlijke biografie van de hoorder blijkt in de bijbelse geschiedenis aan de orde te komen. Hij blijkt niet alleen te staan. De Schrift staat vol met mensen zoals hij. Als de predikant zijn werk goed doet, zal hij zelf achter zijn preek terugtreden en alle ruimte aan de geschiedenis laten. Het is zijn taak om de heilsgeschiedenis zo ter sprake te brengen dat de hoorder zich er in opgenomen weet. Hij krijgt de mogelijkheid om zich te identificeren met talloze bijbelse personen. Zijn leven komt te liggen naast het leven van Jakob, Jozef, Mirjam, Job, David, Ruth, Esther, Petrus en anderen. Er zijn zoveel overeenkomsten. Soms staat hij even in de schoenen van Zacheüs, Martha of Thomas. Ze komen zo dichtbij. Het is alsof hun levens zich in zijn leven afspelen. Tijdens de prediking ontdekt de hoorder dat zijn leven, met alle tragiek en gebrokenheid, anders gelezen kan worden dan hij gewoon was. God is erbij – onder de schijn van het tegendeel. Als God de God van Simson, Rachab en Lazarus is, dan is hij ook de god van mij!

            Hier zien we het pastorale belang van harde en ware geschiedenis die God tot Zijn geschiedenis maakt omdat Hij Zich erin bekend maakt. De hoorder is ten diepste niet geïnteresseerd in de legende, de mythe, de fantasie of het sprookje. Integendeel, hij is pas gediend en geholpen met een heilshistorische werkelijkheid die zo echt is dat deze hem juist uit zijn droom helpt. Hij landt met beide benen in de ware bijbelse werkelijkheid – Gods genadige werkelijkheid - en die blijkt zijn werkelijkheid te zijn. Wat is het belangrijk dat die geschiedenis van genade uitgebreid verteld en uitgelegd wordt. Voor identificatie is tijd nodig en stilte. Maar die moeten de hoorder dan wel worden gegund. Helaas is dat steeds minder het geval.

De preek bevindt zich vandaag de dag op een glijdende schaal. Preken moeten korter en pakkender. Een predikant krijgt daardoor nauwelijks meer de tijd om de luisteraar mee te nemen naar de geschiedenis die hij verklaren wil. Werkelijke identificatie met bijvoorbeeld Job of David of Petrus komt zodoende niet echt tot stand. Wat wel gebeurt is dat de luisteraar zich gaat identificeren met de spreker. Hij brengt het zo goed – hij weet het zo kort en treffend te zeggen, met gebruik van liefst eigentijdse hulpmiddelen: beamerflitsen of dans of een sketch. Was de identificatie met de bijbelse persoon wel gelukt, dan was hij door die herkenning en vereenzelviging ook met God geconfronteerd. God geeft zich namelijk door de geschiedenis heen niet alleen aan Job, maar aan alle mensen die op Job lijken. God geeft Zich niet alleen aan David of Petrus, maar aan ieder die zijn zoals zij. Zo worden zij van God en Zijn geschiedenis afhankelijk gemaakt. Waar deze Schriftgeleide identificatie niet tot stand komt, worden mensen van de predikant afhankelijk gemaakt en niet van God.

De hoorder laat zich gemakkelijker afhankelijk maken van mensen dan van God. Voor de luie predikant is is het ook prettiger om weinig met historisch onderzoek bezig te zijn en alle tijd te geven aan het opluisteren van de preek met sappige anekdotes, plastic taal, pep talk en psychologische zoetigheid.

Dat brengt mij bij mijn laatste punt.

 

5. [voorrang van de rationaliteit] De hoorder is in de ogen van God een rationeel wezen. Hij is niet alleen maar rationeel – dat heeft ons in het bijzonder de kentering in de ideegeschiedenis van de afgelopen 25 jaar geleerd. De moderniteit, met het beroep op de menselijke zede en rationaliteit, bracht niet wat zij beloofde. De ratio lijkt te wankelen – en toch is dat niet helemaal waar, of misschien moet ik wel zeggen: toch is dat helemaal niet waar. Het postmoderne denken is waarschijnlijk een modegril die weer voorbijwaait. Er zijn signalen dat de ratio aan een come-back bezig is, zij het in een andere gestalte dan de afgelopen eeuwen. Ik verwijs naar de publicaties van Eef Dekker en Marcel Sarot (eds.), Christelijk geloof en rationaliteit (2000), Wessel Stoker, Is geloven redelijk? (2004), Gijsbert van den Brink, Een publieke zaak. Theologie tussen geloof en wetenschap (2004), Cees Dekker, En God beschikte een worm. Over schepping en evolutie (2006). Mensen zullen altijd naar intellectueel bevredigende antwoorden op diepe levensvragen zoeken. Homo sapiens geeft zich niet zomaar over aan een logica die niet klopt. Het gezonde verstand wint het in de meeste gevallen nog altijd van het grillige gevoel. En ik ben ervan overtuigd dat onze generatie nog de rekening van de ‘gekte’ van de millenniumwende gepresenteerd zal krijgen. De komende generaties zullen ons het postmoderne ego-tijdperk verwijten. Het waren de jaren waarin bijna ieder schaamteloos voor zichzelf dacht en koos, en het licht in Nederland finaal uit ging. We waren meer dan ooit met onszelf bezig, ook als kerken.

            De meeste kerkvaders zagen het menselijk verstand als de meest geschikte landingsplaats voor het evangelie. Daar moest de hoorder van het evangelie op aangesproken worden: het gezonde verstand. En dat in een tijd waarin het heidendom de cultuur van onder tot boven bestempelde. De heiden is bij uitstek de mens die zijn kansen ‘berekent’ en op zijn intelligentie en snuggerheid vaart. De heiden is niet maar een domme kracht. Volgens de apostel Paulus is hij met zijn verstand in staat om uit de bestaande werkelijkheid tot een ‘eeuwige kracht en goddelijkheid’ te concluderen (Rom. 1:20). We zien de apologeten Justinus de martelaar en Tertullianus dan ook voortdurend een beroep doen op de menselijke weldenkendheid. Justinus meent dat de eeuwige logos door God werd voortgebracht en overal in de schepping wijsheid heeft uitgezaaid (logos spermatikos).[4] Ieder mens, met rede begiftigd, kan daarom voor het goede kiezen (Apol. 28,3; 43,3). In gelovige christenen woont de goddelijke ‘kiem’, de logos, voluit (32,8; 46,2-3) – in ongelovigen is in elk geval iets van de wijsheid van de goddelijke kiem aanwezig. De christenen werden beschuldigd van ‘waanzin’ (13,3-4), maar Justinus bestrijdt die beschuldiging heftig. Christenen leven volgens de goddelijke ‘rede’ en voor zover heidense denkers met die redelijkheid overeenstemmen (en Justinus werkt die these uit), praten zij de christenen na – het is niet om te draaien (60,10). Tertullianus bejubelt in zijn apologie de natuurlijke denkkracht van de heiden. Zelfs na een simpele opsomming van Latijnse krachttermen met het woordje ‘god’ erin, die de mensen op straat alom gebruiken, roept de kerkvader uit: O testimonium animae naturaliter Christianae (Apol. 17,6, ‘Oh het bewijs van de ziel die van nature christelijk is!’). Tertullianus draaft wat mij betreft te ver door, maar toch – wordt de rationaliteit aan het begin van de 21e eeuw niet te gemakkelijk in de verdachtenbank gezet?

            De puriteinen uit de 16e en 17e eeuw, geloofsvaders voor zowel de reformatorische als evangelische christenen, stemden wat dit betreft grotendeels met de apologetische kerkvaders overeen. Voor John Owen was het verstand het ‘oog van de ziel’, dat wil zeggen: het leidinggevend vermogen van de ziel.[5] De mens leert het goede met zijn verstand kennen om er daarna naar te verlangen en te willen. Het verstand is dus een sturende functie in het hart van de mens. Wanneer God ons in beweging zet, werkt Hij niet allereerst in op ons gevoelsleven, maar spreekt Hij met Zijn Woord ons verstand aan om de kracht van de waarheid op ons te laten inwerken. Puriteinen geloofden in ‘de voorrang van het intellect’.[6] ‘Alle genade die God geeft komt via het verstand’ was een puriteinse regel. God vraagt instemming met Zijn waarheid in Christus, anders integreert het geloof niet in het menselijk hart. Daarom moet de prediker alle tijd nemen om de Schrift uit te leggen. De weg naar het hart loopt in de eerste plaats via het hoofd. Mensen moeten Gods gedachten leren begrijpen. Het was voor puriteinse christenen onmogelijk om een bijbelse waarheid te gehoorzamen die men nog niet begrepen had.[7] Zo zit de hoorder in elkaar – ook anno 2006. Daarom pleit ik voor historische bijbelverklarende prediking.

Wat moet de hoorder dan begrijpen? In de eerste plaats dat hij zonder meer mens is – dat wil zeggen: mens en niets meer. In de tweede plaats dat hij zondaar of anders verloste zondaar is. Deze werkelijkheid moet hij niet maar ter kennisgeving aannemen. Nee, hij moet de waarheid over zijn leven verstaan om deze blijvend te kunnen omhelzen. Onderschat het menselijk intellect niet. Voor Jezus is de functie het geestelijk ‘begrijpen’ bij de verlossing van fundamenteel belang. Hij zei: ‘Als gij in mijn woord blijft, zijt gij waarlijk discipelen van Mij en gij zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken’ (Joh. 8:32). Ook al is dit ‘begrijpen’ niet louter cognitief uit te leggen, Jezus bedoelt wel degelijk dat het verstaan van de geestelijke waarheid over ons leven niet zonder cognitief inzicht tot stand komt. Jezus’ woorden scholen ons in een eigensoortige bijbelse mathematica.

 

Concluderend zeg ik dat de hoorder voor God (1) gestoord, (2) doorgrond, (3) tegengesproken (geconfronteerd), (4) uitgelegd en (5) tot begrijpen gebracht hoopt te worden. In zijn geest smacht hij naar dit verlossende ingrijpen van God.



[1] In de Weimarer Ausgabe: Epistola ad Romanos, 56, 447. Zie ook Dictata super Psalterium, 3, 574. Paul Rosseneu, ‘Gods Woord als onze tegenstander’, in Patrick Nullens (red.), Dicht bij de bijbel. Feestbundel ter gelegenheid van het 75-jarig jubileum van het Bijbelinstituut België (1922-1997) (Leuven: Centrum voor Pastorale Counseling, 1997) 29.

[2] Augustinus, Confessiones, boek VIII,12. De vertaling is genomen uit Gerard Wijdeveld, De belijdenissen van Aurelius Augustinus (Utrecht: De Fontein, z.j.) 246.

[3] C. Fahner, Eusebius’ kerkgeschiedenis (Zoetermeer: Boekencentrum, 2000) 220-221. De tekst heeft Eusebius genomen uit Irenaeus, Adversus Heareses 2,31,2; 2,32,4; 5,6,1. Cf. Joyce E. Salisbury, Perpetua’s Passion. The Death and Memory of a Young Roman Woman (New York-London: Routledge, 1997) 62-71.

[4] Justinus de martelaar, Apol. 21,1; 44,10.

[5] J.I. Packer, Geen zee te hoog. De actualiteit van het puriteinse ideaal (Heerenveen: Barnabas, 1997) 66-67.

[6] Id., Ibid., 109-110.

[7] Id, Ibid., 32.

»
Postmoderne Nederlander is vooral eenzaam
»
De prediker: passie voor Christus
»
De predikant als trendwatcher
»
Meditatief bijbellezen als een fase in de preekvoorbereiding
»
Retrotrends op de preekstoel
»
Deel 5 uit de Lloyd-Jones serie: het spreken
»
Lloyd-Jones, Prediking en Predikers, deel 3 uit onze serie: de opbouw van de preek
»
Deel 2 uit de serie over Lloyd-Jones' Prediking en predikers: de preekvoorbereiding
»
Martin Lloyd-Jones, een serie over zijn boek Prediking en predikers
»
Het gesprek over de preek: belangrijk en gevaarlijk
»
De klik voor de preek
»
Passie voor Preken, waar staan we voor?
»
Graag een minder 'perfecte' preek
»
Preaching and Death
»
Evenwichtig preken
»
Moedig preken
»
Een verhaal over de verkondiging
»
Vast aan het papier?
»
Met passie dé Passie preken
»
De kunst van het luisteren naar een preek
»
Preken in een missionaire tijd
»
Beeldend preken: 'dit gaat over mij!'
»
Biddend de kansel op
»
Bomans op de kansel
»
Wat ik van een preek verwacht
»
Preken leren van Jezus 1
»
Communication
»
De ketterij van de toepassing
»
Preaching for Revival
»
Weten ze dat je van hen houdt?
»
Connecting through Purpose in Preaching
»
Preken leren van Jezus 4
»
Preken leren van Jezus 3
»
Preken leren van Jezus 2
»
Preken: roepen tot gemeenschap met Christus
»
Verstaat u wat u zegt en hoort?
»
The Power in Preaching
»
Gezocht: Broodpreken
»
Preken van vlees en bloed
»
Spirituele Christologie
»
Application Without Moralism
»
Paradoxen van evangelisch preken
»
Christocentrische prediking
»
De crisis der echtheid
»
De preek als Stem van Christus
»
How Does Unction Function?
»
Wat is ‘expository preaching’?
»
De kerk moet nu spreken
»
Preken moeten over het leven gaan
»
A Primer on Preaching like Jesus
»
Only Human
»
Het geheim van de preek
»
How the Text Can Form the Sermon
"Wij prediken Christus, de kracht van God en de wijsheid van God!" (1 Korintiërs 1:24)