HOME· NIEUWS· ARTIKELEN· ACTIVITEITEN· FORUM· LINKS· OVER PVP
Artikelen | 12 juni 2007
Wat wil de hoorder?
Over Passie Voor Preken Horen

Door: Piet Verhagen

Broeders en zusters,

Inleiding

Ik zal eerst twee dilemma’s aan de orde stellen. Die twee dilemma’s moeten duidelijk maken in welke lastige positie de hoorder zich eigenlijk bevindt. Deze dilemma’s geven een beklemming waardoor de hoorder zich niet of onvoldoende uitspreekt.

Daarna geef ik een voorbeeld van een gesprekje tussen een voorganger en een kerkenraad na een kerkdienst. Er gaat van alles mis, denk ik, maar er valt ook het nodige uit te leren.

Als laatste bespreek ik wat de hoorder wil. De hoorder wil vanuit het Woord (nieuwe) woorden leren om bevrijd te worden uit de heersende taal, zodat hij woorden ontvangt om het onzegbare vanuit z’n hart te zeggen.

Eerste dilemma: de hoorder is zondaar

Wat wil de hoorder? Zo luidt de tamelijk provocerende titel van mijn inleiding. Wat wil de hoorder? Heeft de hoorder wat te willen? Moeten we dat niet onmiddellijk vanuit klassiek opvattingen naar de prullenbak verwijzen? De hoorder, zo luidt een klassieke redenering, is zondaar. Dus als we vragen wat de hoorder wil, dan vragen we eigenlijk naar wat de zondaar wil! Nu, wat wil de zondaar anders dan het verkeerde, wat wil hij anders dan z’n ondergang? En die zou iets over de preek willen zeggen! Onzin toch zeker? Voor de prediker heeft deze redenering één groot voordeel: je kunt tenslotte alles en iedereen over één kam scheren en hoe divers de hoorders tegenover ook zijn en hoe ingewikkeld de wereldproblemen ook, je kunt toch één en dezelfde preek houden. ‘Al wiss’len haar tonelen’, ik bedoel van de preek, haar standpunt blijft vast, evenals de staat van de hoorder: vervallen aan allerhande ellendigheid.

De vraag is natuurlijk ’even’ wat precies de positie van de prediker is. Nu ja, die moet wel tegenover staan, want anders blijft er niets over dan een zondaar onder de zondaren, die zich vanwege zijn opleiding hooguit als eenoog in het land der blinden kan laten gelden. En aangezien de lamme wel de blinde helpt, blijft eenoog eenzaam achter. Menige voorganger zat of zit als eenoog gevangen in het tegenover. Want als hij dat opgeeft, wat rest hem dan? En de hoorder durft niet goed, jawel wel onderling – de lamme helpt de blinde – maar niet of nauwelijks richting de voorganger tegenover hem. Want wie ben ik? Precies, wie ben jij als zondaar, dat…. ? En wat wil je dan?

Tweede dilemma: kritiek, mag dat wel?

Van der Spoel uitte in CV Koers, januari j.l., kritiek op: ‘de meeste predikanten, die op de preekstoel bezig zijn met het uitleggen van een recept’. Dat lijkt me gegeven klassieke opvattingen tamelijk brutale kritiek. Want laten we even stilstaan bij het volgende citaat. Calvijn zegt over predikers in zijn uitleg over Joh. 10, over de goeder herder, het volgende: ‘Als de kerk gezuiverd kon worden van huurlingen, zou de toestand beter zijn, maar omdat de Heere op die manier de lijdzaamheid zijner gelovigen oefent, moeten wij hen verdragen, al prijzen wij hen ook niet en al mishagen ze ons zelfs met recht. Onder huurlingen moet ge verstaan, degenen, die de zuivere leer behouden en die meer dan uit rechte ijver de waarheid verkondigen. Zulken, moet men toch horen; zo betaamt het ons deze eer aan ’t Evangelie te bewijzen, dat wij zijn dienaren ook al zijn ze minder deugdelijk, niet verachten. En daar ook de kleinste ergernissen ons het Evangelie onsmakelijk maken, moeten wij dit in gedachten houden, opdat kieskeurigheid ons niet verhindere, namelijk dat als de Geest van Christus niet zo krachtig in de dienaren werkt, dan is het omdat wij gestraft worden om onze zonden en ondertussen onze gehoorzaamheid beproefd wordt.’ Zo hadden we het nog niet bekeken.

Toen ik dit stukje las jong studentje theologie voor het eerst las, dacht ik, ik weet het nog heel goed, die is niet wijs. Die is echt niet wijs. En dat was voor mij schokkend genoeg want ik was en ben een liefhebber en bewonderaar van Calvijn door dik en dun. Maar dit citaat is mij blijven achtervolgen en maakt mij me altijd weer onrustig, als voorganger maar dat gaat mijn bijdrage niet over, als hoorder. Komend uit een gemeente waar wij als jonge jongens van 18, 19 jaar met ouders stoeiden en bakkeleiden over preken en predikers, en alles mochten zeggen, werden wij met nadruk en op oprechte wijze vertrouwd gemaakt met een diep ontzag voor het Woord en de prediker. Want het was toch altijd hoe mal als recept, hoe beroerd, hoe weinig ‘deugdelijk’ om het met Calvijn te zeggen ook het Woord van God. Wat zou ik daar van willen zeggen? Dat is een lastig dilemma: enerzijds diep ontzag, anderzijds gezonde tegenzin.

Er zijn generaties van hoorders voor mij en met mij die dat zo hebben meegekregen. Als het al niet meeviel, dan lag het aan jezelf, of het kwam bij jezelf terug als aanvechting bijvoorbeeld. Trouwens voorgangers hielpen en helpen daar ook een handje bij of hebben het ons in ieder geval niet makkelijk gemaakt om uit de dilemma’s een uitweg te vinden. Er is in dat verband ook sprake van wat ik maar noem een ‘voorgangergecentreerde’ behandeling en uitleg van teksten. Neem bijvoorbeeld het begin van het tweede hoofdstuk van de eerste  brief aan Corinthe. Doorgaans wordt het zo voorgesteld dat het de gemeente is, de hoorders dus, die scheuring maken en partijschap en die kennelijk op uitnemendheid van woorden zitten te wachten. En de apostel heeft het er maar wat moeilijk mee en moet zich zien te weren want hij heeft geen uitnemendheid van woorden te bieden. Maar de zwarte piet ligt bij de hoorders, die willen dat zonodig en anders gaan ze naar een ander. Ik zou eerlijk gezegd denken dat het probleem anders ligt. Volgens mij gaat het hier minstens ook om uit de hand gelopen leiderschap van mensen, die mensen aan zich binden. De verschillende leiders van de gemeente waaronder Apolos en Paulus hebben hun charisma onvoldoende in de hand. En dat geeft partijschap, weten die jong-gelovigen Corinthiërs veel.

Ik heb niet zo heel vaak een prediker horen zeggen, wat Van der Spoel in hetzelfde interview suggereert, dat als het niet gelukt is met een preek, een keertje vanwege een dip, ze beter je verlegenheid kunnen proeven, je gevecht. ‘Dan stotter en haper ik maar.’ ‘Zodra je een gepolijst verhaal brengt is de aandacht weg.’ Ik vind dat niet duidelijk genoeg; hoe, waaraan kan de hoorder dat echt weten, zodat hij niet, als was het een reflex, hoeft te denken dat het wel aan hemzelf zal liggen?

‘Rechte ijver’?

Het citaat van Calvijn is mij parten blijven spelen. Hij zegt nogal niet wat. Predikers, die huurlingen zijn, die als maar de waarheid en niets dan de waarheid zeggen. Predikers, die ergernis geven aan het Evangelie, en in wie de Geest niet zo krachtig werkt. Ik heb nog nooit tegen een prediker zulke dingen horen zeggen; wel heb ik het hoorders onderling horen zeggen over predikers en hun preken, dat wel. Bedoeld Van der Spoel zoiets als hij het heeft over dominees die recepten uitleggen in plaats van verkondigen? En wat bedoelt de volgend hoorder precies, ten diepste, als hij tegen zijn dominee zegt: dominee, zou het niet beter zijn om in leerdiensten met actuele thema’s te werken? Zegt de dominee: nou, noem eens zo’n thema? Zegt hij: tja, nou ja, zoiets als X bijvoorbeeld. Nou, zegt de dominee, dat komt goed uit, moet je zondagavond komen, gaat het over zondag Y. Zondag Y? Ja, zondag Y, dat gaat over thema X! Einde gesprek. Gesprek mislukt, lijkt me. Maar wat wordt er nu gezegd, gegeven dat lastige citaat van Calvijn? Wat zeggen Van der Spoel en hoorders zoals die ene die ik niet als voorbeeld gaf nu eigenlijk? Is het nu een kwestie van laat ik zeggen ambachtelijkheid, en dus een kwestie van nieuwe technieken en methoden: dominee, gebruik eens een actueel thema, op een aansprekende manier? Nu dat zal het ook wel zijn. Er wordt veel te weinig aan actieve bij- en nascholing gedaan door voorgangers. Ik ben een warm voorstander van verplichte bij- en nascholing. Ik zie werkelijk niet hou de pretentie vol te houden is, dat je vanaf, laat ik zeggen je 30ste, als prediker, wel weet hoe het moet en dat zo kan blijven doen tot aan je emeritaat en daarna. Maar het is niet alleen een kwestie van kennis en vaardigheden. Het is ook een kwestie van houding, van attitude. Calvijn beschrijft een attitude, althans zo vat ik het op. Een attitude, waarover ik vandaag als hoorder, niet zozeer kritiek, als wel zorg wil uitspreken. Want is die ‘meer dan rechte ijver, voor de waarheid’ niet fnuikend, niet frustrerend en vooral belemmerend voor elke creativiteit, en is die ijver geestelijk gesproken niet dodelijk vermoeiend? Theologische creativiteit heeft te maken met vrijheid, schrijft Douma (2000) in zijn proefschrift. Maar een huurling is niet vrij!

Wat wil de hoorder? Dat is een verdachte vraag. Want voor je het weet zit je in allerlei empirische en psychologiserende beschouwingen, over de hoorder zus en zo. Daar moet je volgens Bohren (1980) helemaal niet aan beginnen. Dat kan alleen maar leiden tot valse profetie, aldus nogmaals Bohren. Het is geloof ik niet de sterkste passage bij Bohren, maar u bent gewaarschuwd. Ik vertrek toch bij de hoorder, waarbij ik wat de hoorder wil niet anders opvat dan als verwachtingen die hij heeft doordat het Woord ze bij de hoorder gewekt heeft.

Wat wil de hoorder? Een voorbeeld

Enige tijd terug vertelde een ambtsbroeder tamelijk ontdaan mij het volgende. Hij had als ouderling van dienst die zondagmorgen een opmerking gemaakt over de prediking. Die opmerking was kennelijk niet goed gevallen. Ik was zelf ook in de dienst geweest en had die preek ook gehoord. Zijn kritiek kwam erop neer dat de dominee de tekst en het bijbehorende verhaal ‘slechts’ gebruikt had om zijn boodschap te brengen In feit e had de tekst er eigenlijk niet toegedaan. Is zo’n preek slecht? Ja, ik vind van wel. Als het Woord zelf ‘slechts’ dient als een kapstok voor wat de voorganger kwijt wil, dan weet ik niet precies wat hij doet, maar preken is het niet. Prediking is Schriftuitleg, aldus de 10e stelling van De Leede in ‘Om de verstaanbaarheid’ (2002, 214). Maar zo eenvoudig ligt het in een gemeente dikwijls niet. Want zo’n type preek kan bijvoorbeeld een pastoraal bewogen preek zijn. En dan wordt menigeen wel degelijk aangesproken, geraakt en noem maar op. Tja, en wat zal je dan nog muggenziften over een tekst en zo. Nou ja, daar is nog wel iets over te zeggen, maar nu even niet.

Ik geloof wel dat deze broeder, een oprecht gelovige man, gelijk had. Maar kan je zoiets zeggen meteen na een dienst? Maar als je het niet doet, wanneer dan wel? Of troost je jezelf met de gedachte, moet je denken: dat kan de beste overkomen, volgende keer beter, er zit altijd wel iets goeds in?! Waarom zou dat dan niet kunnen na de dienst? Een gastpredikant later in de week nog eens opbellen? Wie doet dat? Neen, ik zou het maar gewoon zeggen.

De voorganger deed twee dingen, die mijn broeder onthutsten, met name het tweede. De voorganger zei in de eerste plaats dat hij (de broeder dus) zich vergiste en het niet waar was. Vervolgens keek hij de kring rond en vroeg of andere broeders het soms met de ouderling van dienst eens waren. Toen was het even stil, terwijl de broeders of naar het plafond of naar de neus van hun schoenen keken. Gesprek mislukt.

Ik heb mij afgevraagd wat hier nu toch mis is gegaan. Let wel het is mijn reflectie; ik heb bij de broeder noch bij de voorganger navraag gedaan.

Waar komt de hoorder voor, wat wil de hoorder? Waar zit hij of zij op te wachten? Eén van de motieven is ongetwijfeld dat de hoorder verkondiging verwacht, die overtuigt, die overtuigingskracht heeft. Kennelijk heeft de verkondiging de broeder in die zin niet overtuigd. Waarom niet? Wel, waar was de verkondiging nu helemaal op gebaseerd? In de beleving van deze broeder was het verband met de tekst te los. Welke basis heeft de verkondiging dan nog om overtuigend te zijn? Dat zou zeker een rol kunnen spelen. Er is nog iets wat van belang zou kunnen zijn. De verkondiging wekt op deze wijze onvoldoende vertrouwen. Want als er zo ‘los vast’ omgesprongen wordt het bijbelverhaal, hoe betrouwbaar is het dan? Of als zo’n voorganger zo ‘makkelijk’ met de bijbelse geschiedenis omgaat, en zijn woordje klaar heeft, hoe zou hij dan met mijn levensverhaal omgaan? Is dat dan bij hem wel in vertrouwde handen, zou hij wel luisteren, of heeft hij dan ook zijn woord klaar en doet hij zijn boodschap? Dat is niet vertrouwenwekkend; ook dat zou kunnen spelen.

Er is echter nog iets waar ik de aandacht op wil vestigen. Dat betreft de rol, de attitude van de voorganger. Ik schreef, een van de verwachtingen van de hoorder is verkondiging, proclamatie, die overtuigend is. Bevrijdend nieuws voor arme zondaren, jawel. En de voorganger heeft de volmacht als de gezondene om hier en nu bevrijdend nieuws te verkondigen: kruis en opstanding, zonde en vergeving, lijden en hoop. Eigenlijk verwacht de hoorder het onmogelijke, niets minder dan dat. Zonder volmacht en autoriteit is de prediker nergens. En ik vraag me af of deze prediker zijn volmacht, zijn autoriteit niet misbruikt. Dat is nogal ernstig.

Hoe kunnen we dat begrijpen? Wel, de prediker heeft die volmacht niet van zichzelf. Die is hem verleend door zijn Zender, en die wordt hem als gezondene toegedicht door de hoorders. Of ik kan misschien beter zeggen: de hoorders beamen de hem verleende volmacht. Dat is hen ook voorgehouden te doen bij de bevestiging van de dienaar van het Woord, althans volgens het klassieke bevestigingsformulier. Maar of de hoorder zich dat altijd zo bewust is, of ze zich er niet meer toe zouden moeten zetten, dat zijn terechte vragen. Horen heeft ook wel degelijk met attitude te maken, begrijpt u me niet verkeerd. De voorganger op zijn beurt zal deze hem door zijn Zender verleende en door de hoorders erkende autoriteit dankbaar aannemen, met besef van de grenzen en de verantwoordelijkheden. Hij is daarvoor verantwoordelijk en hij is daar ook op aanspreekbaar. Want de geloofwaardigheid van hem als voorganger en van de prediking zijn in het geding. Klassiek gesproken is de volmacht trouwens sterk gekoppeld aan de voorbeeldfunctie: wees een voorbeeld der gelovigen. Het voorbeeld, zegt Bohren, bevrijdt tot navolging. Aan de gevolmachtigde, die ons voor ogen treedt, toont God ons concreet wat Hij ook ons geven wil: genade, nieuwe ruimte tot vrijheid. Zó kunt u zijn, uit uzelf naar buiten treden, existeren. Dat is dan ook bedoeld als evangelie, niet als wet.

Ons wordt als hoorders dikwijls kwalijk genomen dat wij ‘alleen maar’ over dominees praten. Gegeven het voorgaande is dat dus een onjuist verwijt. Ik heb ons als hoorders wel vergeleken met voetbalfans, die praten over hun favoriete voetballers. Een voetbalfan praat natuurlijk over het spel, maar niet minder over de spelers. Mij werd daarover een verwijt gemaakt. Ik kreeg de indruk dat de vergelijking hoorder – voetbalfan nog wel mocht, maar de vergelijking voorganger – voetballer deugde niet, ja, ja. Ik zie dan niet waarom voorgangers niet zichtbaar, merkbaar aanwezig zouden mogen zijn in hun prediking. De kritiek die Van der Veer wat dat betreft kreeg rond en na zijn ziek zijn vond ik daarom ook dubieus. En trouwens als we op een studiedag als vandaag Van der Spoel, Van der Veer en Douma het voor zien doen, dan heeft dat toch ook het effect van meegenomen, geënthousiasmeerd worden, van ‘empowerment’?!

De voorganger die de verleende volmacht al te zeer tot de zijne maakt, wordt autoritair en duldt geen tegenspraak. Of hij zal geneigd zijn opmerkingen of commentaar als tegenspraak op te vatten en dienovereenkomstig te reageren en zijn positie willen handhaven. Daarmee plaatst de voorganger zichzelf in de weg en wordt hij een hindernis in plaats van een richtingwijzer. Hij wordt, om Calvijn weer aan te halen, een huurling, en die is, ik zei het al, niet vrij, en dus ook geen uitnodigend voorbeeld van bevrijd zijn! Ik denk dat wat er gebeurde in dat gesprekje hiermee te maken heeft en aanleiding geeft tot ergernissen. En ik denk dat ouderlingen in het bijzonder gehouden zijn voorgangers daarop te attenderen.

Wat wil de hoorder? Drie thema’s of drie verwachtingen

Wat de hoorder zoekt en verwacht laat zich in drie trefwoorden als hoofdthema’s samenvatten (Van der Geest, 1978). De hoorder verwacht, verlangt 1) naar Godsvertrouwen en geborgenheid, 2) naar bevrijdende nieuws en verkondiging, naar 3) inzicht, dat hem en haar het leven verklaart. Maar ik zou deze drie hoofdthema’s nog anders kunnen verwoorden. De hoorder zoekt, verlangt naar woorden, nieuwe woorden, goede en betekenisvolle woorden. We horen zoveel woorden, telkens ook weer nieuwe woorden. De hoorder komt om uit het Woord nieuwe woorden te leren die nodig zijn en helpen voor God en met elkaar uit te drukken wat er gaande is, wat er met mij is, hier en nu, en straks. Wanneer de vanzelfsprekendheid van het ‘maar aan leven’ vervalt, zitten wij verlegen om woorden. Is dat ook niet juist de macht van het kwade, dat het ons de woorden beneemt en doet verstommen? De prediking moet ons daartegen aan woorden helpen. In de prediking komen we woorden ophalen om te kunnen zeggen, belijden en bidden wat nodig is, wat uit ons hart opwelt, waarvoor ons anders de woorden ontbreken; net als kinderen die leren praten.

Maar juist daar zit ons probleem. Want waar wij ooit woorden leerden om de dingen hun naam te geven, ontwikkelden we ons tot heer en meester, waarmee we de wereld gingen ordenen en fixeren, tenslotte zoals vandaag in getal en maat. En zo zijn we informatie gaan houden voor communicatie, kennis voor wijsheid, welvaart voor welzijn, virtualiteit voor realiteit, geld verdienen voor zinvol leven, egocentrisme voor vrijheid, contracten voor contacten. Van overwegen zijn we vooral gaan tellen, van beschouwen zijn we gaan rekenen, van geluk ervaren zijn we gaan scoren (Rootmensen, 1998)! In dat kader, met zulke woorden op zak komt de hoorder in de kerk. En natuurlijk kan hij niet anders dan wat hij hoort voor irrationeel en metafysisch houden of hij vervalt in een religieus rationaliseren. En de prediker, die om Van der Spoel nog een keer aan te halen, niet anders doet dan recepten uitleggen, spreekt in feite alleen maar diezelfde technisch taal in een religieus gesystematiseerde wereld, die zich eigenlijk in niets onderscheidt van die wereld in getal en maat. Ook de prediker met een grote stikker op de bumper van z’n spreekstoel: Jezus, het antwoord, doet daarmee volgens Buttrick niet anders (1987, 253).

De prediking, althans dat hoopt de hoorder, biedt, leert woorden die ervaring, beleving en wat het is evoceren; dat is: uitlokken, oproepen, losmaken, teweeg brengen, aan het koken brengen. Het bijbelse verhaal heeft die evocatieve kracht, daarover is geen enkele twijfel. Het bijbelse verhaal roept binnen een kader dat is opgebouwd uit elementen van de alledaagse werkelijkheid een andere, beslissende werkelijkheid op. En de kracht daarvan wordt versterkt, tot het kookpunt gebracht, door een gevolmachtigde figuur, die het op geloofwaardige en overtuigende wijze brengt. En zo worden de nieuwe woorden ontdekt, geopenbaard durf ik wel te zeggen, waardoor we deelgenoten worden van de geschiedenis die God gaat door de tijd met Zijn volk.

»
De hoorder voor God
»
Postmoderne Nederlander is vooral eenzaam
»
De predikant als trendwatcher
»
De prediker: passie voor Christus
»
Meditatief bijbellezen als een fase in de preekvoorbereiding
»
Retrotrends op de preekstoel
»
Deel 5 uit de Lloyd-Jones serie: het spreken
»
Lloyd-Jones, Prediking en Predikers, deel 3 uit onze serie: de opbouw van de preek
»
Deel 2 uit de serie over Lloyd-Jones' Prediking en predikers: de preekvoorbereiding
»
Martin Lloyd-Jones, een serie over zijn boek Prediking en predikers
»
Het gesprek over de preek: belangrijk en gevaarlijk
»
De klik voor de preek
»
Passie voor Preken, waar staan we voor?
»
Graag een minder 'perfecte' preek
»
Preaching and Death
»
Evenwichtig preken
»
Moedig preken
»
Een verhaal over de verkondiging
»
Vast aan het papier?
»
Met passie dé Passie preken
»
De kunst van het luisteren naar een preek
»
Preken in een missionaire tijd
»
Beeldend preken: 'dit gaat over mij!'
»
Biddend de kansel op
»
Bomans op de kansel
»
Wat ik van een preek verwacht
»
Preken leren van Jezus 1
»
Communication
»
De ketterij van de toepassing
»
Preaching for Revival
»
Weten ze dat je van hen houdt?
»
Connecting through Purpose in Preaching
»
Preken leren van Jezus 4
»
Preken leren van Jezus 3
»
Preken leren van Jezus 2
»
Preken: roepen tot gemeenschap met Christus
»
Verstaat u wat u zegt en hoort?
»
The Power in Preaching
»
Gezocht: Broodpreken
»
Preken van vlees en bloed
»
Spirituele Christologie
»
Application Without Moralism
»
Paradoxen van evangelisch preken
»
Christocentrische prediking
»
De crisis der echtheid
»
De preek als Stem van Christus
»
How Does Unction Function?
»
Wat is ‘expository preaching’?
»
De kerk moet nu spreken
»
Preken moeten over het leven gaan
»
A Primer on Preaching like Jesus
»
Only Human
»
Het geheim van de preek
»
How the Text Can Form the Sermon
"Wij prediken Christus, de kracht van God en de wijsheid van God!" (1 Korintiërs 1:24)