HOME· NIEUWS· ARTIKELEN· ACTIVITEITEN· FORUM· LINKS· OVER PVP
Artikelen | 13 oktober 2003
Preken in een missionaire tijd

Door: Tijdelijke auteur

.

Eén van de stellingen in het boek is dat ‘gastvrij gemeente zijn’ veel meer behelst dan wat aanpassingen in de samenkomst van de gemeente. Het vergt een ingrijpende veranderingen van denken en theologiseren; of zoals Paas het onlangs in Idea zei, ‘een bekering van de kerk’. 

.

Na de studie ‘Jezus als Heer in een plat land’ legt de evangelisatieconsulent in dienst van de Christelijke Gereformeerde Kerken hier opnieuw een belangwekkend boek op tafel voor iedereen zich bezighoudt met missionair werk. Met dank aan de auteur en uitgever bieden we lezers hier een voorpublicatie uit het nieuwste boek, zoals verscheen in het laatste nummer van Idea. Het betreft een deel uit het hoofdstuk over preken in een missionaire tijd.

.

In een gemeente die missonair wil zijn dient een predikant zowel rekening te houden met gelovigen, pasgelovigen en ongelovigen. ‘Preken is niet vrijblijvend; we hebben het niet voor het kiezen wie wij wel willen aanspreken en wie niet. Gods Woord zoekt allen’, schrijft Paas. Met het oog op de prediking geeft hij vervolgens een aantal randvoorwaarden.

.

 

.

‘Predikanten in Nederland worden zodanig opgeleid dat we mogen aannemen dat het met hun kennis van exegese en dogmatiek wel goed zit. Natuurlijk, het kan altijd beter, maar om het in perspectief te zetten: in menig gebied van de wereld gaan elke zondag predikanten voor die minder theologische opleiding hebben ontvangen dan de gemiddelde belijdeniscatechisant in de gereformeerde gezindte. Nu is preken niet alleen bijbelse informatie rangschikken en overdragen, maar het is ook betoon van kracht. En juist daaraan lijkt het soms te ontbreken, bij alle kennis die we hebben: het vermogen om werkelijk concreet en relevant te spreken, om met het Woord bij de mensen te komen. Dat is fundamenteel in een missionaire tijd. Juist wegens de goedgereformeerde nadruk op een separerende, krachtige en relevante verkondiging, zijn de eisen waaraan een preek moet voldoen, hoog. Dat vraagt zekere vaardigheden van de predikant: ‘wonen’ in de Schrift, goed ingevoerd zijn in de vragen van de moderne mens (kerkelijk of buitenkerkelijk) - in concreto zijn dit meestal de vragen naar relaties, vrijheid en identiteit (zie ook hoofdstuk 4), een creatief en boeiend spreker zijn, zekere intellectuele vaardigheden (openstaan voor vragen, niet bang voor moeilijke kwesties), gevoeligheid voor de juiste woordkeus en een niet al te hoogdravende preekstijl (wegens het sterke wantrouwen van de postmoderne mens ten aanzien van retoriek). Dit is natuurlijk nogal wat en we moeten eerlijk zijn: dit is niet iedereen gegeven. Toch kan ook een predikant die deze zaken niet van nature heeft, zich er wel op toeleggen zich een aantal daarvan eigen te maken.

.

 

.

Regelmatige, persoonlijke bijbelstudie is daarbij van wezenlijk belang. Bij de preekvoorbereiding kan hij consequent de gelovige, de ongelovige en de pasgelovige in het oog houden en proberen de vragen te stellen die zij zouden stellen. Daarbij verdient het sterk de aanbeveling om een soort ‘preekvoorbereidingsgroep’ te beginnen. De predikant kan de bijbeltekst waarover zijn preek gaat, met een paar korte gedachten, voorleggen aan een geselecteerd gezelschap en er met hen over doorpraten. Als hij dat regelmatig doet, zal hij merken dat zijn preken ‘als vanzelf’ meer afgestemd zullen zijn op de golflengte van deze verschillende groepen toehoorders. Ook zijn taalgebruik zal erdoor worden beïnvloed, omdat hij waarschijnlijk in de voorbereidingsgroep al is gewezen op eventueel jargon. Uiteraard houdt hij de verantwoordelijkheid, maar er is niets mis met het betrekken van de gemeente bij het verkondigde Woord. Dat is uiteindelijk een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Het Woord van God woont ‘temidden van de gemeente’ (Kol. 3:16) en niet alleen in de pastorie.

.

 

.

Wat betreft zijn invoering in de cultuur: het is natuurlijk het beste wanneer hij vaak gesprekken heeft met niet-christenen, maar het zou al veel helpen als hij regelmatig de Volkskrant, De Telegraaf of het NRC las, met de instelling om ervan te leren. Sla daarbij vooral de opiniepagina en de ingezonden brieven en ook de culturele en filmpagina’s niet over! Probeer deze pagina’s niet te lezen met de gedachte ‘Hoe bepalen wij ons standpunt ten aanzien van deze zaken?’, maar met de gedachte ‘Hoe denken mensen vandaag?, Wat zijn hun interesses?, Wat zijn hun vragen?’. Een stap verder kan de predikant doen door te proberen de bijbelse levensvisie te verbinden met wat hij in de Volkskrant is tegengekomen. Daarbij gaat het om argumenten, laat dat duidelijk zijn! Mensen van vandaag zijn bijzonder gevoelig voor (in hun oren) goedkope veroordelingen. Heel belangrijk daarbij is het lezen van goede christelijke studies die ingaan op de moderne cultuur en de onderliggende gedachten blootleggen.

.

 

.

Een predikant in de eenentwintigste eeuw zou zich een gefundeerde mening moeten vormen over de multiculturele samenleving, de opkomst van de islam, de verschillende manieren van spreken over tolerantie en meningsuiting en dergelijke. Dit zijn nu eenmaal de kenmerken van het klimaat waarin de christelijke gemeente vandaag leeft. Vanuit kruis en opstanding mogen christenen dit klimaat benaderen en evalueren. De preek kan daarbij een richtlijn geven. Het komt erop aan hoe een predikant spreekt over andere godsdiensten en levensovertuigingen en in het algemeen hoe hij ‘de wereld’ bespreekt in de preek. Gemeenten voelen haarfijn aan of een predikant weet waarover hij het heeft. Wanneer dat niet zo is, zullen de kerkmensen niet meteen afhaken – predikanten hebben behoorlijk wat krediet, maar niet-gelovigen zullen niet gemakkelijk binnenkomen en blijven.

.

 

.

Ten slotte kan een predikant eens een bijbelgedeelte waarover hij wil preken doornemen met zijn buren of met niet-christelijke kennissen. Wellicht zijn er mensen in en rond de gemeente die op de ‘rand’ hangen, met wie dat mogelijk is. Zijn preek zou zeer verrijkt kunnen worden met vragen en gedachten waar hijzelf nooit op gekomen zou zijn.

.

 

.

Jargon

.

Gevoeligheid voor christelijk en kerkelijk jargon is een heel belangrijke stap op weg naar een meer ‘open’ gemeentezijn. Want woorden zijn niet alleen aanduidingen van begrippen; ze verraden ook een bepaalde manier van denken. Vertrouwde begrippen zijn aangeleerd en ingesleten, ze helpen ons op weg, helpen ons om niet te hoeven nadenken over elk woord dat we zeggen. Het gevaar is groot dat we ten slotte nauwelijks meer weten wat we zeggen. Hoe moeilijk vinden veel christenen het niet om dingen ‘in hun eigen woorden’ te zeggen? Neem de formulering ‘een nieuw hart krijgen’. Wat bedoelen we ermee? Als we het aan mensen vragen, zeggen ze soms: ‘Dat je je moet bekeren… of, nee… bekeerd worden’. ‘En hoe zou je dat in eigen woorden zeggen aan iemand die niet gelooft?.’ Veel mensen vallen dan stil. Naar onze mening heeft dat niet alleen te maken met een gebrek aan woordenkennis. Het probleem zou weleens veel dieper kunnen zitten: weten deze mensen nog wel wat dat is, bekering? Natuurlijk, veel van hen (vooral ouderen) kunnen wel de definitie uit de Heidelberger Catechismus opnoemen. Evangelischen hebben misschien de beschikking over het boekje met de Vier Geestelijke Wetten. Maar wat betekent dat nu voor je ongelovige buurman? Wat betekent het voor jezelf? Een te gemakkelijk genoegen nemen met vertrouwde formuleringen kan mensen in slaap sussen. De klanken zijn goed, maar zit er nog wat achter?

.

 

.

Ook voor predikers zou dit een verleiding kunnen zijn: je kunt de woorden die je zegt toch enigszins afzwakken, de pijn en de scherpte er wat uithalen, wanneer je ze in clichés giet. De uitspraak ‘wij zijn zondaren’ is waar, maar dringt ooit de vreselijke betekenis daarvan tot ons door? Maar wat, als iemand tegen je zegt: ‘Je bent slechter dan je ooit had kunnen denken en toch meer bemind dan je ooit had durven dromen’ (Tim Keller)? Is dat niet een prachtige eigentalige formulering van wat Luther simul iustus et peccator (‘tegelijk rechtvaardig en zondaar’) noemde? Onze zonde en Gods genade ineen en dat verbonden met de typische eigentijdse vraag naar onze identiteit?

.

 

.

Juist daarom is het zo ontzettend wezenlijk dat mensen ‘in eigen woorden’ kunnen zeggen wat ze bedoelen. Opnieuw, dat is niet slechts een kwestie van eigentijdse communicatie, maar iets in eigen woorden zeggen heeft ook alles te maken met het je ‘eigen maken’ van dingen. Dat is een werkelijke uitdaging voor predikers! De taal van vandaag proeven vanuit de media, boeken, de psychologie, de sport, de supermarkt en het buurthuis en proberen het heil te verwoorden met behulp van die taal. Dan treedt nogal eens op wat Berthold Brecht het ‘V-effect’ noemde: het ‘vervreemdingseffect’. Wanneer we vertrouwde zaken horen in nieuwe formuleringen, in een taal die we elke dag gebruiken en niet alleen op zondag, verrassen ze ons. Soms maken ze ons onrustig en schudden ze ons wakker.

.

 

.

Voorkennis en voorbeelden

.

In principe moet elke preek vrij zijn van ‘terzijdes’ en ‘u weet wels’. Ze dienen meestal tot weinig en bemoeilijken het luisteren. De voorganger moet niet uitgaan van alom aanwezige voorkennis. Veelal wordt zonder uitleg verwezen naar bepaalde bijbelgedeelten (‘... net zoals Abraham op de proef werd gesteld toen hij Isaäk moest offeren...’ of ‘u kent natuurlijk de gelijkenis van het zaad...’), soms krijgt de gemeente zelfs een standje als ze iets niet weet (‘u weet natuurlijk, tenminste, daar ga ik vanuit, dat...’).

.

Verder komt het erop aan hoe je als voorganger spreekt over de buitenwereld. Er komen nogal eens negatieve stereotiepen naar voren in preken: ‘Veel mensen willen tegenwoordig niets meer weten van God of gebod’, ‘Tegenwoordig gaan mensen die elkaar de trouwbelofte hebben gegeven heel gemakkelijk uit elkaar’ enzovoort. Het zijn allemaal goedkope, negatieve en denigrerende opmerkingen. Ze ontdekken mensen niet aan hun zonde, maar dienen enkel om het verschil tussen ‘wij’ en ‘zij’ te benadrukken. Het gebed ‘Dank U, God, dat wij niet zijn zoals die mensen’, zou er goed bij passen. In feite bevestigen dit soort opmerkingen gemeenteleden in eventuele farizeïsche gevoelens, namelijk dat zij zalig zijn omdat zij fatsoenlijk zijn. Graag herinneren we hier aan wat we eerder zeiden: spreek nooit over mensen alsof ze er niet bij zijn. Predikanten hebben dat inmiddels geleerd wanneer het gaat om thema’s als homoseksualiteit en incest, maar niet-gelovigen lijken vaak nog vogelvrij te zijn. Onze kerkdiensten zullen nooit een sfeer van welkom uitstralen, wanneer dergelijke opmerkingen blijven voorkomen. Het is niet de roeping van de predikant om ‘hen die buiten zijn’ te oordelen (1 Kor. 5:12-13).

.

 

.

Wat wel van belang is, is de verbinding naar de actualiteit. Dat betekent niet dat het wereldnieuws in elke dienst terug moet keren. Maar als een predikant alleen voorbeelden gebruikt over vissersvrouwen die turen over de zee of hun man al terugkomt (uit de tijd voor de mobieltjes), of over de man in de fabriek en de vrouw in het huishouden, dan klinkt dat allemaal wat gedateerd. Soms lijkt het wel of de kerk een arcadische enclave is temidden van staal, beton en computerchips. Ook een predikant leeft toch in deze tijd? Het gaat erom duidelijk te maken dat de Here een God is van elke generatie, en dat Hij in elke cultuur en tijd gediend wil worden. Zijn boodschap is relevant, ook voor mensen van nu.

.

 

.

Impliciete oordelen

.

In het vorige hoofdstuk zeiden we dat het uitgangspunt van een eredienst moet zijn: houd elke dienst alsof er dozijnen toehoorders en niet-gelovigen aanwezig zijn. Alleen dan zullen ze komen en blijven komen. Dit vraagt om uiterst zorgvuldig taalgebruik door de predikant. Nieuwe mensen die nog onwennig zijn, zijn vaak erg gevoelig voor opmerkingen die hen ‘in een hoek zetten’. Een voorbeeld: ‘Sla uw bijbel daar en daar open, als u er tenminste een bij u hebt… U hebt er toch wel een bij u hè?’. ‘Nee’, denkt de ongelovige bezoeker dan, ‘die heb ik niet bij me. Blijkbaar zit ik hier verkeerd.’ Of hij of zij kijkt om zich heen en ziet de gemeente verveeld kijken bij de zoveelste reprimande van de predikant en besluit dat dit soort opmerkingen niet al te serieus genomen moeten worden. Welke opmerkingen eigenlijk wel?, zou hij of zij zich vervolgens kunnen afvragen.

.

 

.

Allerlei polemieken op de preekstoel dienen meestal ook tot niets. De preek is geen theologische verhandeling. Martyn Lloyd-Jones wees daar al op: polemieken leiden tot het aantrekken van op discussie beluste mensen, maar niet tot verbroken zondaars. De jongste theologische snufjes of theorieën omwille van de theorieën horen thuis in de collegezaal of desnoods in het leerhuis, maar niet in de eredienst. Natuurlijk mag een predikant in gesprek gaan met populair gedachtegoed omtrent God en geloof (om dat te vinden kan hij zich overigens beter oriënteren op de Libelle dan op een leerboek). Maar dat moet wel een ander doel dienen dan alleen de discussie. Hij zal steeds terug moeten naar Christus en de genade.

.

 

.

Opbouw

.

Wat vooral ‘starters’ (maar niet alleen hen) erg helpt, is duidelijkheid: een duidelijke opbouw van de preek, een duidelijke boodschap met daaraan gekoppeld een duidelijke oproep of aansporing. Dat laatste is niet activistisch bedoeld: ook een oproep om stil te worden voor God (bijvoorbeeld in een preek over Maria en Martha) is een oproep.

.

 

.

Het kan erg helpen als van een preek een samenvatting wordt uitgedeeld (eventueel met enkele gespreks- of overdenkingsvragen), of als de preken na te lezen zijn op internet. Als een reactiemogelijkheid wordt geboden, onderstreept dat de openheid van de voorganger en het belang van verwerking van het geheel.

.

 

.

Macht en retoriek

.

Veel mensen van tegenwoordig zijn vuurbang voor manipulatie en hebben een sterke allergie voor macht. Anderen (meer traditioneel ingestelde mensen) zwichten wellicht te gemakkelijk voor macht en passen zich uiterlijk aan, terwijl zij innerlijk onveranderd blijven. Predikanten zullen onder ogen moeten zien dat hun positie als prediker en als vertegenwoordiger van het kerkelijk instituut hun een positie van grote macht verleent, althans voor de duur van de eredienst. Het is niet niets, vandaag de dag, dat mensen week in, week uit van heinde en verre komen om geruime tijd onder je gehoor door te brengen, zonder de mogelijkheid van tegenspraak. Macht is onontkoombaar, maar wij dienen haar goed te gebruiken door van onszelf af te wijzen en dienstbaar te zijn. Wij zullen op de preekstoel de macht van het kruis dienen te belichamen en geen andere macht. De preekstoel mag dus absoluut geen plaats zijn van goedkope argumenten, mensen wegzetten, je gelijk halen en dergelijke. Dat is niet alleen onfatsoenlijk; het ontkracht de boodschap van genade.

.

 

.

Prediking is schriftuitleg en de volmacht van de prediker is de volmacht van het Woord. Predikanten die hun eigen stokpaardjes berijden, daar telkens een nieuwe tekst bij zoeken en dat vervolgens ‘preek’ noemen, overtuigen niet. Als een voorganger niet bij de Schrift blijft en vanuit de Schrift preekt, moeten de luisteraars geloven op zijn gezag en niet op het gezag van het Woord. De autoriteit van het Woord wordt dan ingeruild voor de macht van de preekstoel. Waar kerkmensen misschien nog gevoelig zijn voor die macht, zullen niet-gelovigen en toehoorders met recht vragen: ‘Moet ik u geloven op uw blauwe ogen?’. De psychiater Verhagen wijst in dit verband nog op een ander probleem. De luisteraar kan gemakkelijk denken: ‘Als een predikant zo gemakkelijk met de tekst omgaat, zal hij dan niet ook even gemakkelijk omgaan met mijn levensverhaal?’. Onzorgvuldigheid en goedkope retoriek wekken geen vertrouwen (…).

.

 

.

Zie hen zitten

.

Mensen merken aan de predikant of hij hen ‘ziet zitten’. Hierboven maakten we duidelijk dat dit betekent dat een predikant een aantal dingen niet moet doen: impliciete oordelen vellen die nergens toe dienen, binnenkerkelijke of archaïsche voorbeelden gebruiken, jargon hanteren. Maar het heeft ook een positieve keerzijde. Richt je daarom direct tot de toehoorders en niet-gelovigen en verwelkom hen. Spreek regelmatig tot ‘degenen onder jullie die er niet zeker van zijn of je dit gelooft of die er gewoon niet zeker van zijn wat ze geloven’. Geef ze veel terzijdes, waarbij je de taal van hun hart tot uitdrukking brengt. Spreek hun tegenwerpingen tegen het christelijk leven en geloof beter uit dan zij dat zelf kunnen. Druk ernstige sympathie uit voor hun moeilijkheden, zelfs wanneer je hen diepgaand bekritiseert om hun zelfgerichtheid en ongeloof. Vermaan met tranen (letterlijk of figuurlijk). Geef altijd krediet aan welke graad van juistheid hun tegenwerpingen ook maar hebben. Het is uiterst belangrijk dat de niet-gelovige voelt dat je hem begrijpt. ‘Ik heb het eerder al geprobeerd en het werkte niet.’ ‘Ik zie niet in hoe mijn leven het resultaat kan zijn van het ontwerp van een liefdevolle God.’ ‘Het christendom is een dwangbuis.’ ‘Het kan niet verkeerd zijn, als het zo goed voelt.’ ‘Ik zou dit nooit kunnen volhouden.’ ‘Ik voel me het niet waard; ik ben te slecht.’ ‘Ik kàn gewoon niet geloven.’ Een predikant moet zich letterlijk richten tot niet-christenen en christenen; haast in dialoog gaan met hen. ‘Als u toegewijd bent aan Christus, denkt u misschien dit – maar de tekst gaat in op die angst.’ Of: ‘Als u geen christen bent of niet zeker van wat u gelooft, zult u waarschijnlijk denken dat dit nogal bekrompen is – maar de tekst zegt hier iets dat juist daarmee te maken heeft…’.

.

 

.

Juist het bespreken van dergelijke vragen en tegenwerpingen, al is het maar in een paar zinnen, is ook een geweldige stimulans voor de gelovigen om hun vrienden uit te nodigen voor een kerkdienst. Natuurlijk kun je hun vragen om hun kennissen en buren mee te nemen, maar het is veel beter dat ze na afloop van de preek denken: ‘Hier had mijn buurman bij moeten zijn. De volgende keer neem ik hem mee’.

.

 

.

Een predikant die in zijn preken werkelijk laat zien dat zijn ‘impliciete luisteraar’ ook de toehoorder en niet-gelovige is, heeft daarmee in feite driekwart van het probleem opgelost.

.

Daarbij maken we een opmerking die misschien overbodig is, maar zonder welke alles wat hiervoor gezegd is zinloos zou zijn: een predikant moet van mensen houden. In het bijzonder moet hij van niet-gelovige en zoekende mensen houden, wil hij hen kunnen aanspreken. Er zijn tal van predikanten die aangeven dat zij zo houden van het preken. Dat is mooi; preken is een groot voorrecht. Maar houden zij ook van de mensen tot wie zij preken? Mogelijk hebben zij grote retorische gaven, maar ook al spreken zij met engelentongen, zonder liefde klinkt zulk spreken schel en toonloos (1 Kor. 13:1).[1] Mensen zullen haarfijn aanvoelen of de predikant zich werkelijk om hen bekommert. Een predikant die op afstand blijft en zijn innerlijke onzekerheid verbergt achter een ongenaakbare houding, zal misschien indruk maken op mensen, maar mensen zullen waarschijnlijk niet werkelijk geraakt worden en veranderen door wat hij zegt.’’

.

 

.

Het boek ‘De werkers van het laatste uur’ wordt gepresenteerd tjidens een informatiestudiedag in Amersfoort op 28 oktober over het thema ‘Gastvrij gemeente-zijn’.

.

Lezingen en workshops, met  o.a. Stefan Paas, ds. Wim Dekker (IZB), dr. L.J. Jooosse (GKV),  ds. Simon van der Lugt  (GKV) ds. Rene van Loon (NHK) en Rudolf Setz (missionair werker CGK). Plaats: wijkcentrum De Brug in Amersfoort, Schuilenburgerweg 2.

Kosten: € 12,50 (inclusief lunch). Opgave vooraf is nodig; maakt u dan €12,50 over naar giro 980980, t.n.v. IZB, Amersfoort, o.v.v. ‘Studiedag 28 oktober 2003’. U ontvangt dan een .

.
.
.
.

[1] Vgl. hier vooral R. Warren, The Purpose Driven Church: Growth without Compromising Your Message & Mission, Grand Rapids 1995, 212.

Bron: Idea

»
Beeldend preken: 'dit gaat over mij!'
»
Biddend de kansel op
»
Bomans op de kansel
»
Wat ik van een preek verwacht
»
Preken leren van Jezus 1
»
Communication
»
De ketterij van de toepassing
»
Preaching for Revival
»
Weten ze dat je van hen houdt?
»
Connecting through Purpose in Preaching
»
Preken leren van Jezus 4
»
Preken leren van Jezus 3
»
Preken leren van Jezus 2
»
Preken: roepen tot gemeenschap met Christus
»
Verstaat u wat u zegt en hoort?
»
The Power in Preaching
»
Gezocht: Broodpreken
»
Preken van vlees en bloed
»
Spirituele Christologie
»
Application Without Moralism
»
Paradoxen van evangelisch preken
»
Christocentrische prediking
»
De crisis der echtheid
»
De preek als Stem van Christus
»
How Does Unction Function?
»
Wat is ‘expository preaching’?
»
De kerk moet nu spreken
»
Preken moeten over het leven gaan
»
A Primer on Preaching like Jesus
»
Only Human
»
Het geheim van de preek
»
How the Text Can Form the Sermon
"Wij prediken Christus, de kracht van God en de wijsheid van God!" (1 Korintiërs 1:24)