HOME· NIEUWS· ARTIKELEN· ACTIVITEITEN· FORUM· LINKS· OVER PVP
Artikelen | 19 februari 2004
Moedig preken

Door: drs. Wim Dekker

 

Het is goed om te beginnen met een verhaal, heb ik van onze preekbeweging geleerd. Maar dan niet zomaar een verhaal, maar een verhaal, dat fungeert als het preludium van een muziekstuk. Het grote thema, waar je het over wilt hebben, wordt erin aangeslagen.

We waren een aantal jaren geleden met vakantie in de Eifel en gingen ’s zondags zonder enig vermoeden van wat we te horen zouden krijgen naar de Evangelische Kirche in Prüm. Het werd een dienst, die diepe indruk op mij maakte. De preek werd gehouden door een oude , eerbiedwaardige voorganger. Hij sprak ingetogen, maar zeer indringend. Hij sprak over een tekst, waar ik toen, voorzover ik me kon herinneren, nog niet eerder over had horen preken.

De tekst staat in Jeremia 23: 29 en luidt als volgt:’Is niet mijn woord zo: als een vuur, luidt het woord des HEREN, of als een hamer, die een steenrots vermorzelt?’In de context gaat het over het geding, dat Jeremia en dat de HERE heeft met de valse profeten. Nu kan dat woord ’valse profeet’ ons gemakkelijk op het verkeerde been zetten. Zo zijn we ze namelijk later gaan noemen, maar in de tijd van Jeremia bestaat dit onderscheid nog niet. Er zijn profeten en allen beroepen ze zich erop geroepen en gezonden te zijn en allen spreken ze in de naam des HEREN. Dan was het voorheen in Samaria in zekere zin gemakkelijker geweest. Toen waren profeten van de Baäls opgetreden. Dan wist je in ieder geval, dat je met profeten van een andere god te doen had. Maar de profeten ten tijde van Jeremia treden op in de naam van de HERE. Ze brengen bovendien een orthodoxe boodschap. Ze hebben een duidelijke theologie van het verbond: jullie zijn het uitverkoren volk van God en God is eeuwig trouw aan zijn verbond. Daarom leven jullie onder zijn bescherming. De tempel en de heilige stad zullen niet verwoest kunnen worden. Dat zal de God van het verbond nooit dulden. Er was eigenlijk geen speld tussen te krijgen. Jeremia lijkt een zwartgallige man, die veel te weinig fiducie heeft in de trouw van God van geslacht tot geslacht.

De predikant in Prüm legde dit alles uit op een manier, dat je al aanvoelde: voor hem is dit geen oud verhaal . Hij heeft op de een of andere manier het aangrijpende van deze zaak ook zelf ervaren. En toen begon hij inderdaad te vertellen over zijn jeugd, over het aangrijpende gebeuren van de Kristallnacht, de nacht van 9 op 10 november 1938, de nacht waarin 250 synagogen in brand werden gestoken en 20.000 joden werden gevangen genomen. De week daarop vertelde hij, hielden we onze jaarlijkse Gebet und Buszetag. In al onze orthodoxe kerken werden de klassieke teksten van de liturgie uitgesproken: Heer, wij hebben gezondigd , wij hebben zwaar gezondigd. Vervolgens klonk in alle diensten het woord van de genade voor de boetvaardigen. Maar niemand van ons bracht dit in verband met wat een week tevoren had plaats gevonden. Dus was er die dag sprake van valse profetie in al onze kerken. De leer van Luther, van zonde en genade werd precies volgens de belijdenis verwoord en toch was het valse profetie. Vervolgens ging deze predikant verder en maakte verschillende andere toepassingen vooral ook met het oog op het persoonlijke pastoraat. Wanneer we een oude vrouw ontmoeten, zei hij, die schatrijk is en met velen in onmin leeft vanwege zaken, die met geld te maken hebben en ze vraagt ons met haar te bidden om troost en kracht, dan is dat op zo’n moment niet onze roeping, maar dan zullen we zeggen: ‘Vergadert u geen schatten op de aarde, waar mot en roest ze ontoonbaar maakt en waar dieven inbreken en stelen’. Zo noemde hij vele voorbeelden hoe nodig het is uit de vele woorden van God in de bijbel steeds de juiste woorden te zeggen op de juiste tijd en plaats. Dat anders heel mooie bijbelteksten toch tot valse profetie kunnen worden.

 

Onze verlegenheid.

Wanneer ik nu nadenk over het thema moedig in verband met de prediking, broeders en zusters, dan raakt opnieuw deze herinnering aan de kerkdienst in Prüm jaren geleden mij diep. Het is zo gemakkelijk zoveel jaren na de Kristallnacht hoofdschuddend vast te stellen: Hoe bestaat het!

Ik heb me intussen vaak afgevraagd: zou ik het anders gedaan hebben? Zou ik op dat moment doorzien hebben om welke gruwelijke zonden het ging in de Kristallnacht en zou ik dan vervolgens de moed gehad hebben tegen de hoofdstroom in te gaan?Ik weet het niet, ik weet het werkelijk niet! Maar dan stel ik me dus ook vandaag de vraag: doorzie ik nu waar het werkelijk om gaat, is mijn prediking profetisch? Of is dat vandaag veel minder nodig, omdat we nu gelukkig niet in zo’n vreselijke tijd verkeren als in de jaren dertig in Duitsland? Dat vind ik te gemakkelijk gezegd. Natuurlijk zie ik ook wel verschil. Niet elke tijd is gelukkig even zwanger van onheil. Niet in elke tijd krijgen de demonische krachten even veel kans om huis te houden. Gode zij dank niet. Maar zie ik geen heel belangrijke dingen over het hoofd? Ben ik wel genoeg er verlegen om, dat God zijn woord ons vandaag doet horen op het snijvlak van de ontmoeting tussen Hem en onze chaotische , duistere werkelijkheid? Hebben wij als kerken ons niet veel teveel genesteld in een subcultuur, waardoor we vooral met onze kerkelijke problemen bezig zijn, maar niet meer met de nood van de wereld, Gods wereld, maar helaas bezet door donkere machten? Voordat ik de moed heb iets te zeggen, moet ik eerst wel inzicht hebben. Heb ik wel inzicht? En ben ik wel echt verlegen om Gods stem te horen in de actuele context van de gemeente hier en nu? Of heeft zich een apart geestelijk leven ontwikkeld naast het gewone leven, waardoor zelfs niet meer zaken als de Kristallnacht met schuld en schaamte voor het aangezicht van God worden gebracht?

 

Omdat deze dingen mij zo bezig hielden, nu al weer jaren geleden, ben ik diep onder de indruk geraakt van de grote wending, die zich voltrok in het leven van twee jonge theologen aan het begin van de twintigste eeuw: Karl Barth en Eduard Thurneysen. Ik kwam juist bij deze personen uit, omdat ik wist: Barth doorzag wel de gruwel van de nazi ideologie en hij was de grondlegger van de profetische Barmer Thesen, waarin uitsluitend Jezus als Heer wordt beleden tegenover alle machten en krachten. Hoe was Barth aan deze moedige inzichten gekomen en wat inspireerde hem tot deze moedige daden? Ik ontdekte, dat aan de oorsprong van deze houding een grote existentiële verlegenheid lag. Barth was opgevoed met een optimistische liberale manier van geloven, waar in feite het geloof in God vervangen was door het geloof in het goede van de mens. Dat optimisme stortte rond de eerste wereldoorlog echter geheel in elkaar. Althans wel bij Barth. Toch is hij predikant. Maar hij weet niet meer wat hij moet preken. Zijn grote vraag wordt:hoe kan ik, die een mens ben ooit denken het woord Gods te kunnen spreken? Eenvoudig de bijbel naspreken was voor Barth geen optie, want dan zou het een dode letter blijven. Wel ging hij in de bijbel graven om God werkelijk te leren kennen en hij kwam diep onder de indruk van het oneindige kwalitatieve onderscheid tussen God en mens. Hoe kan ik die een mens ben ooit het woord Gods spreken? Dat woord moet mij gegeven worden. Dat woord moet mij gegeven worden middenin het volle leven met alle vragen, noden en angsten van de tijd, roepend om gehoor te vinden.

De moed van Barth en Thurneysen en ook later van Bonhoeffer werd geboren uit een diepe crisis, een grote verlegenheid. We hebben wel een bijbel en we kunnen exegetiseren, maar wat is het profetische woord voor vandaag? Daar beschikken wij niet over. Dat moet ons geschonken worden. Overigens kon de gemeente van Barth in Safenwill dit helemaal niet meemaken. Uit protest tegen een preek van Barth op de zogeheten ‘Bettag’ blijft de gemeente de volgende zondagen uit de kerk weg. Barth ervaart aan den lijve de pijn van de onoverbrugbare afstand tussen zijn elementaire luisteren naar de Schrift en zijn verkondiging, die hem een lege banken kerk oplevert.

 

Om welke moed gaat het?

De vraag die mij werd voorgelegd luidde: waar haal je als prediker de moed vandaan teksten uit de bijbel te bepreken die mensen, die ook jezelf tegen de haren instrijken? We willen dit thema aan de orde stellen, zei het bestuur van ‘Passie voor preken’, omdat wij naar buiten toe wel eens de indruk wekken, dat we zo eigentijds willen preken, dat iedereen het mooi zal vinden. Maar dat is niet onze bedoeling. We weten heel goed, dat de bijbel ook tegendraads is.

De vraag was me duidelijk en ook de motivatie. Maar toen ik echt over deze vraag ging nadenken, dacht ik: de eigenlijke kwestie ligt nog op een dieper niveau.Voor mij gaat het vooral om de vraag: hoe luister ik zo naar het Woord van God, dat ik het niet naar mijn hand zet, maar dat God zelf erin aan het woord komt? En dan zal het altijd een kritisch, oordelend woord zijn, maar dan zal ook in het oordeel de genade gehoord kunnen worden. Want zo kennen wij God in het centrum van zijn handelen in Jezus Christus. Het kruis is het radicale oordeel over onze wereld, maar ook over de kerk en al onze theologische systemen, waarin we onszelf zo vaak verschansen om maar niet het woord van de levende God zelf te horen. In dit oordeel van het kruis hebben we echter ook Gods diepste woord van verzoening vernomen. Goddelozen worden gerechtvaardigd om niet. Dat is toch de kern van alles wat wij geloven. En de vreugde daarover drijft ons van deze God te spreken.

Zoals dat in dat prachtige lied van Jochen Klepper staat, de man, die op zo’n ellendige wijze in 1942 aan zijn einde kwam  vanwege zijn huwelijk met een joodse vrouw: Hij komt ons toch te stade/ook in het strengst gericht/zijn oordeel is genade/zijn duisternis is licht.

 

Nu kijk ik vanuit dit centrum van ons geloof, dat in het oordeel de genade ligt opgesloten naar al die teksten in de bijbel, die zo kritisch zijn en dan denk ik: daar moet ik niet omheen, want dan wil ik ten diepste om het kruis heen. Dan spreek ik misschien wel graag over het kruis in de verkondiging, maar ik durf het met Christus mee gekruisigd worden niet aan, ik durf met mijn gemeente daar niet doorheen. Maar dan zal ik dus ook nooit de genade echt ontdekken, het heil dat voortvloeit uit het sterven aan onszelf.

Er zijn teksten in de bijbel, die gaan over de rechtvaardigheid en heiligheid van God en over zijn oordelen.Waarom durf ik die teksten niet aan? De gemeente zal daar moeite mee hebben? De gemeente komt naar de kerk om vertroost en bemoedigd te worden en dan kun je het haar toch niet aan doen om zulke zware teksten te horen te krijgen? Maar is de kern van ons geloof, het kruis, dan geen zware tekst? En ik hoef die andere zware teksten over het oordeel toch niet los te lezen van wat in het kruis van Jezus is geschied? Dat lijkt me dus een valkuil, dat ik de teksten over het oordeel laat liggen, omdat ik denk, dat ze met een donkere rand van de bijbel te maken zouden hebben, waar we gelukkig niet al te vaak over hoeven te spreken. Dat is niet zo.Het kruis ontneemt me die illusie. Maar juist het kruis geeft me ook de moed om over de oordelen te spreken, omdat ook in het strengst gericht het oordeel juist de genade onthult.

Er zijn teksten in het Oude Testament , die op een voor ons onbegrijpelijke wijze vertellen van straffen en oordelen: de zondvloed, Korach, Dathan en Abiram, Achan, David en Absalom en ga zo maar door. Ze vertellen me allemaal iets over de heiligheid van God en de oordelen, die er heel diep inhakken. Ik moet dat niet mooier maken dan het is. Maar ik moet er ook niet aan denken, dat ik al deze bijbelgedeelten los van het kruis, waar alle oordelen gedragen zijn, zou moeten lezen. Dan zou ik niet de moed hebben erover te preken. Dan zou ik veel te bang zijn, dat mensen gingen denken, dat we uiteindelijk met een heel strenge en wrede God te maken hebben en dat godsbeeld op zich heeft nog nooit iemand dichterbij het heil gebracht. Het heeft integendeel zeer veel onheil gesticht. Maar wat nu vaak gebeurt, is dat al dit soort gedeelten worden overgeslagen. In feite worden ze alle gezien als verouderd. Gelukkig hebben we het Nieuwe Testament en dat is heel anders.Ik weet het niet. Het kruis zegt ons niet, dat het met de oordelen meevalt. Maar God zelf neemt het diepste en laatste oordeel op zich. Dat is het ongelooflijke verhaal van het christelijk geloof, het geheel unieke ook. Nergens is deze waarheid eerder of later in het hart van een mens opgekomen.

Laten we niet denken, dat voor het vertellen van dit verhaal geen moed nodig is. Dat voelen wij minder misschien. In de eerste plaats omdat we de prediking van het kruis te mooi en te lief gemaakt hebben. Maar het was verschrikkelijk en ongehoord wat daar gebeurde. Verschrikkelijk, omdat het de meest gruwelijke dood was, die een mens kon ondergaan. En ongehoord, omdat God zelf in Jezus deze dood wilde ondergaan. Dit was en is een zeer vreemd evangelie, voor de joden een ergernis, voor de Grieken een dwaasheid, voor mensen van alle tijden, ook voor onszelf verbijsterend. De moed om te preken bestaat hieruit, dat we daar altijd weer doorheen gaan. Door dat absurde heen, door die ergernis heen, door dat verschrikkelijke heen, door dat onbegrijpelijke heen. We hebben een natuurlijke neiging om hier niet doorheen te gaan. We hebben een natuurlijke neiging om een soort samengevatte standaard boodschap af te geven, dat Jezus voor onze zonden gestorven is. Maar daar voelt op het laatst niemand meer iets bij. Voor buitenstaanders is het abacadabra, voor insiders is het een soort mantra, die hen tot rust brengt. Moed is echter nodig om telkens weer door de ergernis heen te gaan en die zo voelbaar mogelijk te maken. Dan zal ook de genade weer echt gaan schitteren.

In de tweede plaats voelen wij misschien minder hoeveel moed er nodig is om dit verhaal van het kruis te vertellen, omdat we veel teveel in een kerkelijke subcultuur leven. Dat laatste zie ik als een groot kwaad, dat onze prediking verlamt. Waarom was de openbaring van God aan Israël zo’n spannend verhaal? Omdat Israël als klein volkje geroepen werd dit verhaal te geloven temidden van alle grote verhalen van de omringende volken. Waarom was het evangelie van het kruis zo’n spannend verhaal? Omdat niemand eraan wilde. En als in onze kerken mensen er zondermeer aan willen, dan is dat schijn. Dan is dat hooguit een kwestie van religieuze socialisatie. Er is moed voor nodig deze laag van religieuze socialisatie eraf te krabben en de weerstanden voelbaar te maken, die er bij ons allen zijn, wanneer het om dit verhaal gaat. Dan wordt gelijk onze kerkelijke subcultuur doorbroken, want wij zijn als kerkelijke mensen vanuit onszelf niet geloviger of ongeloviger dan alle mensen buiten de kerk. Buiten de kerk merken wij, dat het een vreemd verhaal is, maar zo zien wij ook in een spiegel hoe vreemd het voor onszelf is. De grenzen tussen kerkelijk en buitenkerkelijk zijn zeer betrekkelijk. We kunnen in solidariteit met de ander spreken, wanneer hij zegt, dat hij dit maar een heel vreemd verhaal vindt. Misschien ontmoeten we ook vijandschap, maar dat is dan geen andere vijandschap dan die leeft in ons eigen hart. Wie van ons vindt het nu leuk om te horen, dat wij pas leven door de dood heen. Zoals de humanist het niet kan verdragen, dat het kruis een streep zet door het optimistisch mensbeeld en de seculiere idealen van de humaniteit, zo kan de trouwe kerkganger niet verdragen, dat het kruis ook een streep zet door heel zijn kerkelijke cultuur, zijn ijveren voor de waarheid, zijn inspanningen voor gemeenteopbouw, zijn mooie kerkorde. En toch is dat zo. Er is moed voor nodig dit alles eerlijk te zeggen, omdat je zo gauw als een spelbreker gezien wordt, als iemand die niet blij is met alles wat zo fijn gaat in de gemeente of als iemand, die helemaal niet meer de grenzen tussen kerk en wereld belangrijk vindt. Weinigen van ons zullen met zo’n genoeglijk, zelfgenoegzaam en oppervlakkig christendom te maken hebben in hun gemeenten als Barth in Safenwil. Maar wie geen erg heeft in de verburgerlijking van de kerk ook vandaag, leeft met oogkleppen op. In de meeste gemeenten willen mensen het vooral op hun manier naar hun zin hebben en niet gestoord worden door lastige vragen, laat staan door lastige antwoorden. Dat geldt volgens mij door alle modaliteiten en richtingen heen.

Waarom brengen wij die moed toch op, vaak tegen onze eigen innerlijke hang naar rust in? Althans, ik weet niet hoe u dat voelt, maar zo voel ik dat zelf wel. Ten diepste houd ik helemaal niet van onrust, maar van rust. Ten diepste wil ik aardig zijn voor iedereen en ook zelf graag aardig gevonden worden. Ten diepste wil ik ook graag ergens bij horen, een fijne gemeente, een fijne groep, waar ik bevestigd word en waar ik anderen bevestig. Ik heb een hekel aan onrust. Ik heb een hekel aan mensen, die zeggen mij niet te begrijpen. Ik heb een hekel aan eenzaamheid. En toch brengt het kruis onrust, eenzaamheid, het nooit vanzelfsprekend in iets kunnen berusten, wantrouwen tegenover alle christelijke zelfgenoegzaamheid. Daarom herken ik me als christen, maar zeker ook als voorganger zo diep in dat lied van Ad den Besten:

 Waarom moest ik uw stem verstaan?/ Waarom Heer moet ik tot U gaan/ zo ongewende paden? Waarom bracht Gij/die onrust mij/in ’t bloed - is dat genade?

 

Gij maakt mij steeds meer vreemdeling./Ontvreemdt ge mij dan ding voor ding/ al ’t oude en vertrouwde?/ O blinde schrik,-/mijn God, mag ik/niet eens mijzelf behouden?

 

Moed om op deze weg door te gaan vind ik in het gebed, waarvan het laatste couplet spreekt: Spreek Gij dan in mijn hart en zeg/ dat het zo goed is, dat die weg/ ook door Uw Zoon gegaan is/ en dat uw land/ aan alle kant/ niet ver bij mij vandaan is.

 

Indien wij met Hem lijden, dan zullen we ook met hem verheerlijkt worden.Maar weten we nog wel wat lijden is? Of hebben we ons allemaal zo geriefelijk genesteld in onze kerkelijke subcultuur, dat we het lijden meestal ontlopen. Wie het niet met ons eens is, zit in een andere gemeente. Daar hebben we dan ook niet veel boodschap meer aan. Alle gemeentes worden onder invloed van het postmodernisme steeds meer gemeenten van gelijkgezinden en we hebben ons er al lang bij neergelegd, dat het geloof zich afspeelt in het privé domein, terwijl de samenleving er geen boodschap aan heeft.

Dan kom ik bij mijn laatste punt in deze lezing: Hoe komt het dat we zo weinig vijanden hebben? Ik las een belangrijk artikel van de in Amerika zeer bekende prof. Stanley Hauerwas. Het heet : Preaching as though we had enemies. Wij hebben niet het gevoel, dat er veel moed nodig is om te preken, zegt hij, omdat we al lang de aanspraken van God en Jezus Christus op het publieke leven hebben prijs gegeven. We vinden het eigenlijk wel prima  dat we dankzij de tolerante maatschappij onze eigen godsdienstige beleving mogen hebben. Maar we hebben niet door dat deze tolerantie juist de grote vijand is van het christelijk geloof. Want de aanspraak van het christelijk geloof, dat Jezus Heer is niet alleen over het privé domein van christenen, maar dat Jezus Heer is van de wereld, dat is nu juist een aanspraak die door de postmoderne tolerante samenleving fundamenteel wordt bestreden. Wanneer wij de moed zouden hebben om het recht van Jezus Christus op ieder en alles in deze wereld weer naar voren te brengen, dan zouden we opnieuw met vijandschap te maken krijgen en begrijpen, waarom volgens het Nieuwe Testament het lijden onlosmakelijk met het geloof in Jezus Christus is verbonden.

Ik denk, dat Hauerwas daar gelijk in heeft. Nu wij een minderheid in de samenleving geworden zijn zal dat het spannende punt worden. Zijn wij tevreden met de beleving van het geloof op onze manier of zullen we het aandurven alles en ieder op te roepen Jezus Christus te erkennen als Heer? Wetend, dat we dan mensen niet onder een nieuwe dictatuur brengen, maar dat daarin juist de ware vrijheid is gegeven. Het zal er dan natuurlijk allereerst om gaan, dat we zelf deze vrijheid  voorleven.

Ik kom tot een afronding. Het thema van deze dag ontleende het bestuur aan het woord vrijmoedig en vrijmoedigheid, dat zo vaak voorkomt in de Handelingen der Apostelen. In alle vrijmoedigheid spraken de apostelen het woord en de kern van hun boodschap was :Jezus is Heer.  Die vrijmoedigheid had alles te maken met hun diepe overtuiging dat dit waar was, omdat God Hem had opgewekt uit de doden. Die vrijmoedigheid had ook alles te maken met hun diepe overtuiging, dat hier de heling en de genezing lag voor mensen. De kreupele man kan weer lopen en mag wandelen in het vrolijk levenslicht. Dat is Gods doel met zijn mensen, dat ze zullen wandelen in het vrolijk levenslicht. Onze vrijmoedigheid ontlenen we dan ook daaraan: we hebben het allerbeste verhaal voor mensen, dat denkbaar is. We zouden mensen ongelooflijk tekort doen, wanneer we niet de moed hadden het te vertellen. En wanneer de Geest in ons werkt kunnen we niet anders dan dit verhaal vertellen. Dan is het geen vraag meer: waar halen we de moed vandaan? Dan hebben we die moed. We kunnen niet anders.
»
Vast aan het papier?
»
Een verhaal over de verkondiging
»
Met passie dé Passie preken
»
De kunst van het luisteren naar een preek
»
Preken in een missionaire tijd
»
Biddend de kansel op
»
Beeldend preken: 'dit gaat over mij!'
»
Bomans op de kansel
»
Wat ik van een preek verwacht
»
Preken leren van Jezus 1
»
Communication
»
De ketterij van de toepassing
»
Preaching for Revival
»
Weten ze dat je van hen houdt?
»
Connecting through Purpose in Preaching
»
Preken leren van Jezus 4
»
Preken leren van Jezus 3
»
Preken leren van Jezus 2
»
Preken: roepen tot gemeenschap met Christus
»
Verstaat u wat u zegt en hoort?
»
The Power in Preaching
»
Gezocht: Broodpreken
»
Preken van vlees en bloed
»
Spirituele Christologie
»
Application Without Moralism
»
Paradoxen van evangelisch preken
»
Christocentrische prediking
»
De crisis der echtheid
»
De preek als Stem van Christus
»
How Does Unction Function?
»
Wat is ‘expository preaching’?
»
De kerk moet nu spreken
»
Preken moeten over het leven gaan
»
A Primer on Preaching like Jesus
»
Only Human
»
Het geheim van de preek
»
How the Text Can Form the Sermon
"Wij prediken Christus, de kracht van God en de wijsheid van God!" (1 Korintiërs 1:24)