HOME· NIEUWS· ARTIKELEN· ACTIVITEITEN· FORUM· LINKS· OVER PVP
Artikelen | 14 oktober 2004
Het gesprek over de preek: belangrijk en gevaarlijk
Minisymposium Spreken Over Preken. 2 Oktober 2004 Harderwijk Door Piet Verhagen

Door: Tijdelijke auteur

Inleiding

Ik begin met een observatie en een opmerking over het (post)moderne zelfbewustzijn om daarmee van het gesprek een probleem te maken. Het geloofsgesprek, of het nu over de preek gaat of over iets anders, zoals we hierna zullen zien, loopt namelijk lang niet altijd even goed. Waar heeft dat mee te maken?

Mijn tweede opmerking betreft een korte theologische plaatsbepaling van het gesprek. Er is in theologische handboeken niet zoveel aandacht voor het gesprek, terwijl we toch een hele traditie hebben als het gaat om gesprek. Een uitzondering daarop is te vinden in ‘Christelijk Geloof’ van H. Berkhof (1985, 5e; er zouden natuurlijk wel meer voorbeelden te noemen zijn). Daarmee kom ik dan op het boek Rolf Robbe ‘Spreken over preken’ (2004); het boek dat de aanleiding is tot deze studiemorgen (2 oktober). Ik heb grote waardering voor dit boek, als ook enige zorg over wat het bij lezers en gebruikers (en recensenten) kan oproepen.

Mijn derde opmerking is een poging om het gesprek, ook zoals Robbe het zoekt te voeren, te plaatsen in het perspectief van wat ik maar noem onze ‘gesprekstraditie’. Ik doe dat door ‘even’ terug te gaan naar Bunyan’s ‘Christenreis’.

 

Observatie en probleemstelling

Enige tijd terug was ik ergens in het land uitgenodigd om deel te nemen aan een doopgesprek  met ouders die hun pasgeboren kindje wilden laten dopen. Beide ouders worden geacht aanwezig te zijn (en, aldus de klassiek uitnodiging, hun trouwboekje mee te brengen.)  Er vindt dan een gesprek plaats aan de hand van een bijbelgedeelte, of het te gebruiken doopformulier en de doopvragen of met ander materiaal. De bedoeling is om iets op te tafel te krijgen van wat zulke ouders beweegt om hun kindje te laten dopen, en zo mogelijk om iets mee te geven over de betekenis van de doop. Een vorm van geloofsgesprek, niet over een specifieke preek zozeer als wel op basis van de geloofsontwikkeling die mensen al dan niet van jongs af aan hebben doorgemaakt daarin ook of mede gevoed door de prediking. Zo’n gesprek is gewenst, omdat we het nu eenmaal niet ‘uit gewoonte of bijgeloof’ willen doen. In dat bewuste gesprek werd inderdaad ook gezegd dat het niet uit gewoonte was, dat kon niet de bedoeling zijn. Het had met traditie te maken. Ik moet bekennen dat mij het verschil toch niet duidelijk werd, behalve dat ‘gewoonte’ kennelijk een negatieve klank had. En traditie had vooral iets van: het wordt van je verwacht, zo hoort het, en dat vinden we zelf ook goed.

Dit hield me naderhand danig bezig. Want over welke traditie hebben deze mensen het nu? Nu dat bleek de traditie van één hooguit twee generaties te zijn.  Over de traditie van het verbond, van de grote daden van God, de historie en de kerk, waarin ze zelf ooit werden ingelijfd en hun kinderen opgenomen zouden worden, daarover ging het niet, althans niet spontaan. Dat aspect werd door de gespreksleiders ingebracht en (aan)gehoord. Ik was wel geïnteresseerd in die traditie van één, twee generaties, maar ik werd niet veel wijzer. Op mijn vragen of ze wisten wanneer ze zelf gedoopt waren, door welke dominee, met welke dooptekst, of hun ouders er wel eens iets over verteld hadden, of ze er nu met hun ouders over gesproken hadden, of ze hun doopkaart wel eens hadden gezien, reageerden ze verbaasd en ook wel verrast: nooit aan gedacht, ik zou ’t niet weten. Het bandje van de vorige doopdienst (van een ouder kindje) hadden ze nooit meer teruggehoord.  Eén vrouw wist wel dat haar doopkaart voor in een fotoboek geplakt zat, dat ze met haar trouwen had meegekregen.

Wat is nu toch de bedding, zo vraag ik me af, waarin zo’n gesprek plaatsvindt? Is er wel zoiets als een bedding, behalve dan de context van dat moment: de consistoriekamer in de kerk van de betreffende wijkgemeente?

 

Het is tamelijk algemeen aanvaard dat er een verandering is opgetreden in hoe mensen hun levensloop ervaren en hoe ze zichzelf daarin positioneren. De gedachte is dat de (post-) moderne mens zichzelf en zijn levensloop niet meer beleefd in het verband van de tijd, de historie en de sociale verbanden, maar onthecht aan de tijd als iets waaraan hij zelf betekenis zoekt te geven. Zo merkte ik in dit gesprek dat er zelfs met een tot twee generaties beperkt verband in de tijd nog maar weinig uitwisseling is tussen die generaties. En dat terwijl de traditie vanouds toch van doen had met overlevering van geslacht op geslacht; dat leek me hier vrijwel afwezig. Trouwens dat zeiden ze ook. Er werd thuis niet over gesproken. Daar is dus meer aan de hand dan alleen maar een kwestie van opvoeding of geslotenheid van karakters. Maar tegelijk kreeg ik ook de indruk dat deze mensen er qua zelfontwerp van hun levensloop en reflectie daarop toch ook niet goed uitkwamen wat de doop van hun kindje daarin dan voor plek of betekenis zou kunnen hebben.

 

Onthechting, dat is, zoals bekend, de karakteristieke aanduiding voor het moderne en postmoderne zelf. Ik meende dat dat het was waar we in dit gesprekje tegenop liepen: onthechting van betekenisvolle historische en sociale verbanden. Dat is niet hetzelfde als een al te ver doorgevoerd of zelfs doorgeschoten individualisme.  Maar het betekent dat de persoon zelf (en de reflectie over het zelf) het referentiepunt is in de verbanden die hij zoekt en de keuzes die hij maakt. De traditie en sociale context hebben in dat opzicht geen bindende of normatieve betekenis meer, of steeds minder. Het doen omdat zoiets zo hoort of verwacht wordt, kan  ik dan ook niet meteen opvatten als een keuze die iemand vanuit een innerlijke overtuiging als passend bij zijn zelf ervaart. Het leek me een tussenoplossing: niet geheel los van het één, niet geheel vrij tot het andere. Ik heb overigens niet de neiging om er meteen een negatief oordeel over te geven zo in de trant van: dat is ’s mensen hoogmoed weer, hij wil het zelf doen. Daarvoor bevat het voor mij teveel verlegenheid in plaats van hoogmoed. Ik heb veel meer de neiging het te nemen als een realiteit zoals die zich aan ons voordoet. 

Maar ondertussen is het gesprek wel gewenst. Ze vonden het leuk, deden hun best, leerden van elkaar, maar waren er ook verlegen mee. Met andere woorden, onthechting maakt het gesprek niet overbodig. Integendeel, we hebben het juist nodig om de richting die we zoeken en als passend hopen te ervaren te vinden. We hebben het juist nodig voor de inrichting van onze levensloop en het doormaken van nieuwe levensfasen en overgangen, zoals het vader en moeder worden en het laten dopen van het pasgeboren kindje. Maar we weten nog niet goed raad met het gesprek, omdat we beducht zijn voor ons toch of opnieuw te laten gezeggen, zoals in de oude verbanden het geval was. Daarvoor hebben we inmiddels toch te stevig de touwtjes zelf in handen. Dat laten we ons niet meer ontnemen. Maar hoe ik mij dan oriënteer, en wat ik dan aanneem en hoe ik dat integreer, dat zijn lastige kwesties, die ik wel zelf wil doen, maar niet alleen. In mijn eentje kan en wil ik dat ook niet. Het gesprek is dus wel degelijk gewenst.

Toch, die ervaring van onthechting is een lastig moment in het gesprek, omdat het lijkt alsof er een grens gesteld wordt: tot zover laat ik je toe, omdat ik me anders wellicht op iets vastleg wat ik nu niet of nog niet wil of aankan. En natuurlijk respecteren we dat, maar tegelijk voelt het niet goed, maar zo lang is onze arm niet meer. En anders, als je door zou zetten, dan kan het zo gauw polariseren! Dat willen we niet, uit angst of zorg de ander kwijt te raken.

 

 

Een plaatsbepaling

Het gesprek heeft in theologische handboeken niet altijd zo’n duidelijke plaats gekregen.  Als positief voorbeeld noem ik H. Berkhof en zijn Christelijk Geloof (5e druk, 1985, §40.4). Hij rekende het gesprek tot één van de negen overdrachtselementen van de kerk. Hij verbond het gesprek uitdrukkelijk met de preek, als een noodzakelijk vervolg daarop. In een korte schets geeft hij de ontwikkeling van de plaats van het gesprek aan. Luther noemde het gesprek ook al naast preek en doop. Calvijn zou het gesprek meer in verband met de tucht hebben geplaatst. Maar het waren vooral de gezelschappen en conventikels waarin het gesprek een belangrijk rol kreeg. Over de misstanden gaat het hier nu niet. De gezelschappen zijn daarom zo belangwekkend omdat het niet onaannemelijk is dat in die gesprekken de gave van de profetie gebloeid heeft. Dat gaat weer terug op Bucer, die al pleitte voor de prophesying in kleine kringen. Ik definieer profetie dan als het ontvangen en doorgeven van een woord, een ingeving, een beeld, een gedachte van God, die je deelt met anderen. Dat is vandaag een gangbare omschrijving, en iets waarvan velen ervaren dat die gave te weinig ontvangen en beoefend wordt.

Ik meen dat het gesprek theologisch gezien om tenminste twee redenen z’n plek heeft: 1) in relatie tot de prediking; 2) in relatie tot het werk van de Heilige Geest, niet in de laatste plaats vanwege de gave van de profetie. Maar ik voeg daar meteen aan toe dat beide redenen staan in het verband van wat Paulus in 1 Cor. 14 de opbouw van de gemeente noemt. Alles moet staan in het teken van stichting, vermaning en vertroosting van de gemeente.  Dan bouwt het op, anders niet. Dat moet dus ook gelden van het gesprek.

 

Het boek van Rolf Robbe Spreken over preken (Boekencentrum 2004) is wat mij betreft een zeer bruikbare handreiking en impuls om het gesprek over de preek weer te voeren. Ik hoop dan ook zeer dat het door recensenten wordt aanbevolen om in de praktijk als werkboek te gebruiken. En het is denk ik een goed initiatief dat Passie voor Preken training/instructie hiervoor aanbiedt. Ik hoop dat de recensenten niet struikelen over, of schrikken van de moderniteit of postmoderniteit van de aanpak. En ook dat ze niet terugvallen op ‘het is slechts de vorm hoe belangrijk ook, maar het gaat om de inhoud’. Het is natuurlijk een moderne aanpak. Het begint niet voor niets met de zelftest. Dat sluit naadloos aan bij de zelfreflectie als oriëntatiepunt voor het moderne zelfbewustzijn en de levensloop, ook als het je loopbaan betreft. Dat zit in de aanpak verweven, met een knipoog naar de positieve psychologie, de lerende professional, empowerment en reflectie in actie. Allemaal termen en aanduidingen die verwijzen naar hoe ik me kan ontwikkelen qua identiteit en performance, op een wijze die bij mij past. Ik heb daar niet zoveel op tegen, integendeel, ik zie ook weinig alternatief, en met de al te defensieve dominee hebben we het wat dat aangaat toch wel gehad. Maar ik ben benieuwd wat recensenten vinden en of ze toch niet zullen roepen dat het zo allemaal wel erg maakbaar wordt, in plaats van de vinger te leggen bij persoonlijke en professionele vorming en ontwikkeling; maar ja, die woorden alleen al, zal menigeen wellicht denken. Daar gaat dan mogelijk een al te massieve ambtsopvattingen achter schuil, die de ambtsdrager onaantastbaar maakt en daarmee de zaak van de prediking onbespreekbaar, ook al wordt er dan uit louter goedheid hier en daar één keer per jaar over gesproken.

Anderzijds zijn kerkenraden matig onderlegd. Dat is althans het vaak gehoorde argument. Ze weten er te weinig van, dus wat hebben we aan zo’n gesprek, zeggen dominees. Inderdaad de tijd dat ze allemaal À Brakel hadden gelezen is voorbij. Toch is dat niet alles. Mijn indruk is dat het gesprek wel degelijk van wijsheid kan getuigen, mist het gesprek gefaciliteerd wordt, de ruimte geboden wordt, en niet vooraf en tijdens allerlei piketpaaltjes worden geslagen waarmee rekening gehouden moet worden. Want het is al (te) gauw beschadigend. Dat is minstens net zo’n punt van de kant van de predikant, als de al dan niet vermeende onwetendheid van de kerkenraad. Het is ook nog mogelijk dat de kerkenraad zich zo met de voorganger identificeert, dat ze helemaal de distantie niet heeft om op een goede manier te reflecteren over de prediker en de prediking. Het boek van Robbe biedt aan kerkenraden en gemeenteleden goede handvatten.

Dat alles vraagt om oefening, veel oefening. Daar is alleen tijd voor, als het je de tijd waard is en er dus tijd voor gemaakt wordt. Het argument ‘drukte’ staat dikwijls voor vermijdingsgedrag en gebrekkig timemanagement.

 

 

Passie in het gesprek       

Ik geloof dat recensenten niet zo moeilijk hoeven te doen als ze er in slagen te letten op wat we aan traditie hebben als het gaat om vormende gesprekken.

 

‘Kom, laat ons een degelijk en nuttig gesprek aanvangen’, zo zegt Christen tegen Hoop in de Christen reis van Bunyan. ‘Van ganser harte’, zei de ander. ’Waarmee zullen we beginnen?’, zei Christen. ‘Waar God met ons begonnen is’, zei Hoop, ‘maar wees gij zo goed en maak een aanvang’.

 

(Ik citeer uit een herdruk uit 1978 (p. 190), die weer teruggaat op een uitgave van 1868; uitgeverij Van den Tol, Dordrecht.) Het boek van Bunyan behoort tot de wereldliteratuur. Kennelijk ligt er in de verbeelding een dramatiek besloten, die de lezer raakt in z’n ziel. De typische figuren die christen ontmoet en met wie hij in gesprek raakt, zijn als een vocabulaire en een topografie voor de levensloop en in verband daarmee voor het geloofsleven. (Het is niet toevallig om hier van een vocabulaire te spreken. Denk maar aan het ‘gesprek tussen twee reizigers naar de eeuwigheid’ van Kohlbrugge dat als titel draagt De Taal Kanaäns. En atlassen van emoties en de ‘belevingswereld’ zijn tegenwoordig ook weer in.)

De lezer wordt geconfronteerd met observaties, analyses en zelfonderzoek. Dat laatste houdt ons hier met name bezig. Denk maar aan wat Christen vertelt over zijn houding jegens zijn vrouw en kinderen als hij daar door Liefde naar gevraagd wordt. ‘Ik was te nauwgezet’, zegt hij, en daarmee heb ik hen geërgerd. Liefde troost hem weliswaar, maar het is pijnlijk en ontdekkend genoeg. Daar zijn die gespreken ook voor; ze zijn opbouwend in de mate dat ze vermanend, ontdekkend en vertroostend zijn. Maar mijn houding (zelftest) moet wel aan het licht komen, om voort te kunnen. 

Het zijn intense ontmoetingen, die tot verdieping leiden, maar ook tot een breuk aanleiding kunnen geven, als ze de goede voortgang in gevaar brengen. Zo verliet Christen immers om te beginnen zijn gezin. Echter al die gesprekken en ontmoetingen, ook die tot een breuk leiden, zijn dienstbaar aan het ene doel.

Het hoofdstuk over de praatbuurt is ook zo interessant (hoofdstuk XII). In praatbuurt ontmoet Getrouw Mondchristen. De laatste is wel in voor een gesprek, want dat is ‘allerleerzaamst’. Sterker nog het verwaarlozen van het gesprek is er de oorzaak van dat zo weinigen begrip hebben van het geloof. Getrouw raakt onder de indruk, maar Christen heeft zich inmiddels wat afzijdig gehouden.  En dan zegt Christen tegen Getrouw, die nogal ingenomen is met Mondchristen, ‘die man, met wie gij zo ingenomen zijt, kan met gemak er twintig, die hem niet kennen, met zijn tong vangen’. Getrouw die vervolgens Mondchristen aan de tand voelt, ontdekt inderdaad dat Mondchristen in algemeenheden praat en dat ‘zeggen en doen’ twee zijn. Later valt Mondchristen beschaamd door de mand.

Zo zouden er vele voorbeelden te geven zijn van intense momenten, die iets teweeg brengen bij Christen zelf en bij die anderen. Maar hoe dan ook, het gaat altijd om de waarheid, om het heil, om de voortgang van de reis. Het gesprek, dat wil ik onderstrepen, blijkt daarbij noodzakelijk om te oefenen, te leren, te groeien en wijzer te worden. Want alleen red je het niet, ook al moet je er soms voor kiezen een tijdje alleen verder te gaan. In ieder geval is duidelijk dat Christen geen heilsautist is, maar het contact juist nodig heeft en ook biedt. En daar zit een hartstocht in, een drive, een passie, alsof het leven er vanaf hangt, maar dat hangt er dan ook vanaf!    

Eigenlijk begint Christen als een onthecht mens, onthecht aan zijn gezin en sociale omgeving, aan zijn reis naar de eeuwigheid. Onderweg is hij voortdurend in gesprek om in het gesprek middels reflectie zijn identiteit en houding, zijn levensweg en zijn doel te zoeken, te vinden, te verliezen en weer te vinden. En het is door het gesprek dat er nieuwe verbanden ontstaan of juist weer verbroken worden. Maar aan de ander ontdekt hij zichzelf, groeit hij of lijdt hij pijn.

Ik geloof daarom dat iets van die passie weer in onze gesprekken moet doorklinken, anders blijft het zo steriel, en zullen woorden makkelijk polariseren, want de één vindt nu eenmaal dit mooi en de ander dat, en over smaak valt niet te twisten. Dan krijgt vervolgens voorzichtigheid de overhand in plaats van verdieping! Echter, en dat opnieuw, dat vergt veel oefening, veel oefening. Dat hoeft ons niet af te schrikken, integendeel, dat is uitdagend vanwege het doel.

‘Kom, laten we een goed gesprek beginnen. En waar zullen we dan starten? Waar God met ons begonnen is!’

»
De klik voor de preek
»
Passie voor Preken, waar staan we voor?
»
Graag een minder 'perfecte' preek
»
Preaching and Death
»
Evenwichtig preken
»
Moedig preken
»
Een verhaal over de verkondiging
»
Vast aan het papier?
»
Met passie dé Passie preken
»
De kunst van het luisteren naar een preek
»
Preken in een missionaire tijd
»
Biddend de kansel op
»
Beeldend preken: 'dit gaat over mij!'
»
Bomans op de kansel
»
Wat ik van een preek verwacht
»
Preken leren van Jezus 1
»
Communication
»
De ketterij van de toepassing
»
Preaching for Revival
»
Weten ze dat je van hen houdt?
»
Connecting through Purpose in Preaching
»
Preken leren van Jezus 4
»
Preken leren van Jezus 3
»
Preken leren van Jezus 2
»
Preken: roepen tot gemeenschap met Christus
»
Verstaat u wat u zegt en hoort?
»
The Power in Preaching
»
Gezocht: Broodpreken
»
Preken van vlees en bloed
»
Spirituele Christologie
»
Application Without Moralism
»
Paradoxen van evangelisch preken
»
Christocentrische prediking
»
De crisis der echtheid
»
De preek als Stem van Christus
»
How Does Unction Function?
»
Wat is ‘expository preaching’?
»
De kerk moet nu spreken
»
Preken moeten over het leven gaan
»
A Primer on Preaching like Jesus
»
Only Human
»
Het geheim van de preek
»
How the Text Can Form the Sermon
"Wij prediken Christus, de kracht van God en de wijsheid van God!" (1 Korintiërs 1:24)